Tag archieven: corona

wappie?

De stelling op het schaakbord is een hersenkraker waarover Willem voorlopig niet is uitgedacht. Schaken op woensdagavond bij Geert is al jaren vaste prik, daar heeft die Netflix-serie met het schaakmeisje niks mee van doen. Biertje erbij en voor je het weet draait het hele bestaan om de strijd tussen zwart en wit op 64 vlakken. 
‘Je moet gaan’, zegt Geert, ‘anders ben je te laat.’
‘Fuck de avondklok’, zegt Willem, ‘dit is te mooi om te laten staan.’ 
‘Zometeen krijg jij een prent. En bij wie klop je dan aan?’
‘Ik zweer nu, met de hand op mijn hart… ‘ – Willem gaat erbij staan en vervolgt theatraal met luide stem, zijn woorden onderstrepend met gebaren – ‘…dat ik en ik alleen verantwoordelijk ben voor… Godverdomme! Wat doe je nou!?’
Geert heeft in één beweging de stukken van het bord geveegd: ‘Jou behoeden voor ellende. Complot of geen complot, 95 euro is een hoop geld.’ 
‘Weet je wel hoe in-en-in triest dit is? Je voegt je bij de makke schapen die zich laten scheren voor de jas van…’
‘Mèhèhè’, mekkert Geert, ‘mèhèhè.’ Hij loopt als een bok met gebogen hoofd op zijn maat af en dwingt hem richting kapstok. Willem trekt met zichtbare tegenzin zijn jas aan, priemt dan zijn wijsvinger richting Geert: ‘En jij zet die stelling terug! Volgende week veeg ik jou van het bord, en dan wel volgens de regels van het spel!’
‘Shhht. En zachtjes op de trap.’ 
‘Jaja, de benedenburen… Later!’ 
Geert sluit zacht de voordeur achter Willem die door het trappenhuis naar beneden loopt en met moeite de aandrang bedwingt om zijn frustratie eruit te stampen en de buitendeur dicht te knallen. Fucking avondklok. Die falers in Den Haag besluiten om het volk na negen uur op te sluiten en wat denk je? In plaats van dat de pleuris uitbreekt en iedereen gaat rondlopen om te laten weten dat we het spuugzat zijn en het niet meer pikken, zitten we gedwee in ons huis achter glas naar een scherm te staren. Dieren mag je niet opsluiten in kleine hokken, maar mensen mag je van hun vrijheid beroven… we leven in een vrij land, jaja, en op 5 mei gaan we weer met zijn allen onze vrijheid vieren. Alleen nu even niet. Wie is hier nou wappie? Iedereen met een zinnig verstand weet dat Kennedy niet doodgeschoten kan zijn door Lee Harvey Oswald. Iedereen die zich heeft verdiept in 9/11 weet dat het officiële verhaal niet klopt. En Covid is wel het grootste complot. Virussen bestonden al lang voor de eerste mens zijn neus liet zien. Als je de evolutie bekijkt, hebben dier en mens altijd samengeleefd met virussen en je zou kunnen zeggen dat dat altijd goed is gegaan. Natuurlijk gaat er ook af en toe wel eens iets fout en dan vallen er een paar dooien, maar virussen horen erbij, zonder virussen kun je niet leven, er zitten miljoenen virussen in je lichaam. Het beste wat je kan doen, is uitgaan van de meest harde feiten en die komen nog altijd vanuit de wetenschap, en dan bij voorkeur de wetenschap die niet gelieerd is aan de Big Pharma en de bijbehorende geldstromen, want je merkt dat zodra wetenschappers in dienst zijn bij die bedrijven, ze er ineens heel andere feiten op na houden dan wetenschappers die dat niet zijn. Maar daar hoor je ze niet over met hun kwaliteitskranten en hun onderzoeksjournalistiek… Hij stopt voor een raam waar een poster hangt met de tekst: “Ik hou 1,5 meter afstand van jou” en een groot rood hart erop. 
‘Mèhèhè’, mekkert hij en kijkt om zich heen. 
‘Mèhèhè’, doet hij opnieuw, nu een stuk harder, en wijst op de poster. Dan tikt hij een paar keer met de wijsvinger tegen zijn voorhoofd, draait een rondje om zijn as, zijn ogen verkennen de verlichte vensters van de woonblok tot driehoog aan toe, een hernieuwd ‘mèhèhè‘ weerkaatst tussen de huizen in de stilte, lekker luid. Laat ze het maar horen allemaal, laat ze het maar zien! Iedereen sluit zijn ogen, stopt zijn oren dicht voor de waarheid. Allemaal hersendode volgelingen van de elite die ondertussen de strik steeds verder dichttrekt. Hij loopt door met grote passen, de armen zwaaiend in de cadans van zijn zelfverzekerde tred. Dit is wie hij is: een onverzettelijk man met bijpassend stevig postuur. Niet groot, wel gezegend met een buikomvang die hem tot de risicogroep doet behoren. Hij kent de verzinsels, de bangmakerij, allemaal onderdeel van het complot om iedereen in het gareel te krijgen. 

Ets, Frans Lebret 1897

Sneller dan hem lief is staat hij voor zijn voordeur. Hij haalt de sleutels uit zijn jaszak, tegelijk met de telefoon. 20:59. Eén minuut voor de avondklok. Hij staart naar het scherm. Het lacht hem uit. Angsthaas, zegt het, en het springt op 21:00. Schaap. Mak schaap. Vastberaden stopt hij het telefoontje terug in zijn jaszak, zijn sleutels erbij. Ik ga genieten van mijn vrijheid. Ik ben een vrije burger in een vrij land, ik ga genieten van mijn vrijheid, en wel nu! Met ferme pas loopt hij langs de huizen in zijn straat, langs mensen onderuitgezakt voor de televisie of aan tafel starend naar een scherm, sommige alleen, anderen samen, ouderwets scrabble spelend. Willem ziet het niet, en als hij het al ziet, dringt het niet tot hem door. Hij is zich bewust van het belang van dit moment, niet alleen voor hem persoonlijk, ook voor de samenleving als geheel. Want als we allemaal het verzet staken, is de vrijheid verloren. 
Een langzaam rijdende auto komt hem tegemoet. Medestanders? De koplampen verblinden hem tot de auto naast hem is. Dan ziet hij ze. Fluorescerende strepen van uniformen. Die gasten rijden godverdomme in een burgerauto! Nog voor dit goed en wel tot hem doordringt, hebben zijn benen al een beslissing genomen. ‘Meneer’! hoort hij nog, hij is al weg. Stoppen is geen optie. Rennen! Rennen rennen rennen! Zo hard hij kan langs het huizenblok naar de hoek, als hij die haalt en links afslaat, krijgen ze het moeilijk, en ja het lukt, hij hoort niks meer achter zich. Hij houdt tempo tot de volgende hoek, als hij die om is, is hij uit het zicht, dan vinden ze hem niet meer. Hij rent, krachtig en snel, zoals je alleen in dromen rent. Hij hoort niets achter zich. Heeft hij ze afgeschud? Echt gerust is hij er niet op. Een beetje vaart minderen kan wel, het moet, hij heeft namelijk in geen jaren meer zo hard gelopen, maar ja wat wil je. De boete is 95 euro. Hij heeft geen 95 euro, hij leeft van minder dan een bijstandsuitkering, dan kun je geen 95 euro missen. Dus holt hij door langs het lange deel van het woonblok over de verlaten stoep. Naar huis. Thuis is hij veilig.  De zijstraat lonkt veelbelovend, hij zet even extra aan, voor tegenliggers hoef je nu niet bang te zijn, dat is dan weer een voordeel, driest scheert hij de bocht om. Daar staan ze. Niet de gewone auto die hem de stuipen op het lijf heeft gejaagd maar een officiële politie-auto. Een agent doet het portier al open. Willem denkt niet na, hij handelt. Hij rent zo hard hij kan, nooit eerder heeft hij zo hard gerend, zelfs niet in die droom met de kudde olifanten. Riep de agent dat hij moest blijven staan? Hij weet het niet, hij weet alleen dat daar zijn voordeur is. Hij tast naar de sleutels in zijn jaszak, pakt alvast de juiste sleutel. Deur in zicht. Sleutel in slot, feilloos, onwaarschijnlijk trefzeker. Deur open. Binnen! Hij gooit hem dicht. Dat is tenminste de bedoeling. Maar iets houdt de deur tegen, sterker nog, hij wordt opengeduwd. Willem struikelt achteruit en belandt met zijn achterste op de trap. In de deuropening staat een reus van een politie-agent, wijdbeens, de rechterhand op de knuppel aan zijn broekriem, de ogen strak op hem gericht.
‘Meneer’, zegt de agent, ‘woont u op dit adres?’
‘Ja’, zegt Willem hijgend en houdt de sleutels omhoog: ‘Kijk maar!’
‘Waarom rent u dan zo hard?’
‘Het is avondklok man, ik ben te laat!’
‘Is dat alles?’ 
‘Ja man, wat denk jij dan?’
De agent gooit het hoofd in de nek en lacht als om een goeie grap, stapt naar buiten en schenkt hem een brede grijns voor hij de deur achter zich dichttrekt. Willem staart verbouwereerd naar de plek waar zojuist zijn noodlot in het niets is opgelost, niet bij machte zich te bewegen. Uiteindelijk strompelt-ie, hijgend en wel, de trap op naar zijn woning op éénhoog. Van alle dienstkloppers treft uitgerekend hij vanavond die ene, schappelijke gozer. Wat een mazzel.

Een echte Tielenburg

Een tikje teleurgesteld begin ik aan de afdaling vanuit de portiek waarin ik zojuist op vijf adressen post heb bezorgd. Voor het zesde was er niks. De trap die ik afdaal is smal, wat hem steiler doet lijken dan de bredere trappen elders in de buurt. Desondanks loopt hij niet zwaarder of lastiger dan de overige zevenenvijftig die ik vandaag bedwing – ‘Wat zal jij een mooie gespierde billen hebben’ werd me ooit met onverholen jaloezie toegevoegd door een seksegenote, een stuk jonger maar toch niet tevreden over de mate van spieropbouw en/of vetverlies ondanks intensief sportschoolbezoek, vrouwen zijn zelden tevreden met het resultaat van hun inspanningen waar het hun uiterlijk betreft. Ik heb geen klachten over mijn billen. Enfin, ik ben halverwege als achter me een deur opengaat. Ik kijk over mijn schouder. Een man draait vrijwel onhoorbaar de deur van links éénhoog op slot.  
‘Geen post voor u vandaag,’ zeg ik achterom.
‘Geeft niet.’
‘Jawel! Ik vind het namelijk leuk om bij u post in de brievenbus te stoppen.’ 
‘Echt waar?’ 
‘Hij klapt zo verrassend open.’
‘Is het u opgevallen?’
‘Ik verheug me er zelfs een beetje op als ik naar boven loop.’ 
‘Ik heb hem zelf gemaakt,’ zegt hij met enige trots.
Tielenburg, ik neem aan dat hij het is, staat boven aan de trap, sleutels in de hand, een eenvoudige man met vriendelijke uitstraling. Een jaar of zestig, misschien wat ouder, lastig te schatten. Zijn verschijning heeft iets tijdloos’.
‘Hij voldoet aan de wettelijke regels,’ zegt hij, ‘is exact 26,5 bij 3,2.cm…’ – ik grinnik hardop, hij vervolgt ietwat verstoord – ‘…de afmetingen zoals de PTT die ooit heeft vastgesteld.’
Hij staat inmiddels weer voor zijn deur. Ik keer op mijn schreden terug en kijk mee terwijl hij vooroverbuigt om zijn ontwerp nader toe te lichten, me wijst op standaard hoekprofielen, bij elke ijzerwinkel verkrijgbaar, een gewone veer en aanverwante zaken. Mijn bekentenis dat ik aanvankelijk aan schuifdeurtjes dacht, veroorzaakt een licht hoofdschudden: ‘Dat is onmogelijk…’
‘Als je een gewone envelop door het midden bezorgt, kun je niet zien hoe het werkt,’ voer ik aan ter verdediging, ‘het is heel uitzonderlijk dat hij naar twee kanten openklapt. Ik heb hem zelfs gefotografeerd.‘
‘O?’ 
‘Voor mijn verzameling bijzondere brievenbussen.’
‘Heeft u een verzameling bijzondere brievenbussen? Welke brievenbussen heeft u dan zoal verzameld?’
‘Heel verschillende… nou ja, hoe zeg ik dat… de meeste brievenbussen zijn de post vijandig gezind.’ 
Hij humt instemmend, gaat even op zijn tenen staan en weer terug op zijn hakken, herhaalt de beweging, het geeft hem iets jongensachtigs.
‘Te klein, te smal, zware kleppen, scherpe kleppen, geen opwiprichel maar ingewikkeld kantelmechaniek, anti-inbraak tanden, verkeerd gemonteerde borstels… en dat is maar een greep uit het arsenaal. Veren staan altijd te strak afgesteld, je vraagt je soms af of mensen überhaupt post willen krijgen…’
‘Ik moet hem ook weer eens smeren, de veer opnieuw afstellen…’
‘Welnee, hij gaat hartstikke soepel. Sommige krijgen een eigen beschrijving. Die van u heeft saloondeurtjes…’ – hij tuit zuinigjes zijn lippen – ‘…saloondeurtjes die elke envelop verwelkomen als een cowboy na een lange, stoffige reis’ – de ijle glimlach staat hem goed. ‘Ik ken nog één ander speciaal ontworpen exemplaar, net zo bescheiden maar dan achter een struik in de muur naast de voordeur van een villa. De post glijdt door een loshangende klep soepeltjes naar binnen… vind ik ook leuk, doet me denken aan kinderen op een glijbaan…’
We praten enthousiast verder over brievenbussen, mechanieken, technische uitdagingen – een voor de buitenstaander wellicht wat saaie uitwisseling – de naam Friso Kramer valt, de ontwerper van de bekende groene brievenbus. Net zoals laatstgenoemde blijkt Tielenburg industrieel ontwerper. Op dit moment is hij vooral bezig met licht… hij aarzelt. Kom, doe es gek, hoor ik hem denken. En hij zegt: ‘Wilt u het zien?’

Hij draait de deur al van het slot. Ik sta in dubio. Niet dat ik in hem een psychopaat vermoed met kwade bedoelingen, het is meer de dreiging van dat nieuwe virus. Handen veelvuldig wassen en vooral geen handen schudden, luidt het nieuwe gebod. Ook al doen Tielenburg en ik dat laatste niet, toch aarzel ik. Mijn bezorgersoutfit is smoezelig, het traplopen maakt zweterig, de buitenlucht snotterig… Ik druk het pak post tegen mijn borst. Zolang ik binnen niets aanraak, kan het vast geen kwaad. Het laatste wat ik wil is dat virus achterlaten in zijn woning, die, eenmaal binnen, een toonbeeld van helderheid en functionaliteit blijkt. Grijze vloerbedekking, strakke meubels. De Martin Visser slaapbank is de frivole blikvanger in compromisloos rood. Hij staat wat ongebruikelijk midden in de kamer, met de rugleuning tegen een grote werktafel.
‘Vanwege de 3D-printer daar tegen de muur’ beantwoordt Tielenburg mijn onuitgesproken vraag, ‘tijdelijk hier ter reparatie. Als die weg is, mag de bank weer op zijn plek bij het raam.’ Hij wijst naar de hanglamp waarvan het kapje geconstrueerd is uit halve aluminium bollen boven de ranke eettafel, en naar de kast. Ik kijk omhoog. Boven op de rand van de kast is een rij zilveren spotjes bevestigd waarvan de vierkante kapjes met aluminiumfolie geïmproviseerd lijken. 
‘Prototypes?’
‘Uhuh. Spotjes met ledlampjes, nog in de beginfase.’
‘Mooi. Is dat in opdracht? Gaat het geproduceerd worden?’
‘Nee, dat is zo moeilijk te realiseren… ik werk vanuit mijn eigen interesse. De drang om een brievenbus te ontwerpen stamt uit de tijd dat ik zelf postbode was. Alleen op de zaterdag. Ik studeerde aan de Rietveld academie en had een bijbaantje nodig… ik werd na korte tijd ontslagen. Ik deed er twee keer zo lang over dan de bedoeling was, omdat ik het belangrijk vond de post in de juiste bus bij de juiste naam te bestellen.’
‘Het eerste wat je moet afleren.’
‘Op een gegeven moment kreeg ik controle. Stond er iemand vanaf de overkant te kijken hoe ik het deed…’
‘Doen ze nog altijd’
‘Ongelofelijk.’
‘Ja. Verder is er wel veel veranderd. Alleen al die twee stapels post…’ 
‘Ik zag u laatst met zo’n uitklaptafeltje lopen.’ 
Zijn karakteristieke hupje verraadt dat deze observatie zijn ontwerpersinstinct kietelt, maar ik moet hem teleurstellen: ‘Dat was een andere postbode, ik gebruik het niet. Een postvest noemen ze dat. Het is bedoeld als hulpmiddel om tijdens het lopen post samen te voegen, die wordt namelijk niet meer zoals vroeger netjes op volgorde aangeleverd. Een bezuiniging. Ik vind het een onding, dus doe ik dat op de arm. Soms ook van tevoren op het depot, sta ik ouderwets te sorteren voordat ik op pad ga. Dat werkt het prettigst. Mag officieel niet. Erg kinderachtig allemaal…’
Tijdens ons gesprek dwalen mijn ogen door de kamer, blijven haken aan de eettafel. De houtverbindingen tussen blad en poten vallen me op vanwege de dunne dwarsbalkjes en de ongebruikelijke hoeken. 
‘Die tafel is ook bijzonder…‘
‘Eigen ontwerp. Ik heb alles hier in huis zelf ontworpen en gemaakt, alles behalve de bank en deze stoelen’ – hij wijst naar de twee stoeltjes aan weerszijden van de eettafel. 
‘Ik heb wel een stoel gemaakt, eentje maar, een heel speciale, die staat in de slaapkamer… Kom, dan laat ik hem zien.’
O jee. Het mag dan allemaal licht zijn, het interieur, dit gesprek, zijn uitstraling, maar toch… tien minuten na onze eerste ontmoeting al naar de slaapkamer voelt ongemakkelijk. Straks ligt daar een verdwaalde onderbroek… Hij merkt mijn aarzeling niet op, loopt langs me naar het halletje en wenkt: ’Hier staat mijn negenkantige stoel op drie poten. Zoiets heeft niemand ooit ontworpen, laat staan gemaakt. Het is een uniek exemplaar.’ 
Zoiets verzin je niet. Ik laat me meetronen naar de eenvoudige slaapkamer waar ik de negenkantige stoel op drie poten bewonder, eerst vanuit de deuropening en dan toch maar naar binnen. Vanaf mijn positie naast het opengeslagen bed kijk ik neer op de negenkantige zitting, buig voorover om de drie poten beter te bekijken. Ik draai me om naar Tielenburg die vlak achter me, meegesleept door zijn eigen enthousiasme, demonstreert hoe de deuren van de kledingkast wrijvingsloos open en dicht kunnen. Ineens krijg ik het erg warm, een blos brandt op mijn wangen, vermoedelijk vuurrood, en ben ik me overbewust van mijn vormeloze outfit in deze ordentelijke omgeving, meer bezig met mijn eigen ongemak dan met Tielenburgs presentatie van unieke meubelen. En dan sta ik plotseling weer buiten op bekend terrein. 
Gaandeweg maakt mijn verlegenheid plaats voor verwondering over deze ongewone ontmoeting. Het ging alleen wat te snel. Ik had op zijn minst een foto van de stoel moeten maken, of beter nog, erop moeten gaan zitten. Die stoel is gemáákt voor mooie postbezorgersbillen. Ik neem me voor nog een keer bij hem aan te bellen als dit hele coronagedoe voorbij is. Dan vraag ik om een tekening van de brievenbus, mijn foto’s schieten hopeloos tekort in het overbrengen van het technisch vernuft. En of ik de stoel nog eens mag zien. Of ik erop mag zitten. Voelen hoe dat zit, op een negenkantige zitting gedragen door drie poten. Op een echte Tielenburg.

voetgroet

Het zijn de begindagen van corona, de schrik zit er goed in. De anderhalve meter is nog vers, heel Nederland zoekt naar de beste manier om afstand te houden. Onderweg met de postkar naar mijn wijk zijn mensen nog opvallend voorkomend. Tegenliggers maken een ruime boog terwijl ze me extra vriendelijk groeten, alsof ze zich willen verontschuldigen: ik wijk uit vanwege corona, niet omdat je stinkt of zo. Zelfs automobilisten stoppen voor me, houden meters afstand op kruisingen waar ze normaal gesproken snel voorlangs piepen.
Vandaag loop ik een wijk met veel trappen naar portieken op één hoog. Op voorhand zag ik ertegenop, eenmaal boven zit je als een rat in de val, maar het levert vooralsnog geen probleem op. Als er iemand boven is, wacht ik even onderaan de trap. En andersom. De ene keer dat een bewoner de deur uit wil, is hij zo aardig om uit zichzelf even te wachten tot ik klaar ben. Mijn vertrouwen in de mensheid groeit met elke trap.

Ik beklim een volgende en hoor, al bijna boven, het geluid van iemand achter me. Ik zeg duidelijk, zonder omkijken, over mijn schouder: ‘Zou u even willen wachten?’ 
Geen reactie, de voetstappen gaan door. Ik draai ik me om: ‘Hallo!’
Ze stopt, kijkt verstoord op van haar smartphone. 
‘Of je even wil wachten… die anderhalve meter gaat zo niet lukken.’
Ze is jong, een vrouw van deze tijd, en mooi. Glanzend kastanjebruin haar, zorgvuldig opgemaakt gezicht, wenkbrauwen onlangs gestyled in de ‘brow bar’.  Ze wil naar boven, en wel NU.
 ‘Jawel hoor, dat gaat prima,’ zegt ze zelfverzekerd en met warme stem, waartegen mijn bezwaar met terugwerkende kracht schril afsteekt. De glimlach die ze bijpassend produceert doet me aan mijn tandarts denken, die lacht op dezelfde manier voor ze zich over me heen buigt met de angstaanjagend vibrerende boor in de aanslag. De jonge vrouw neemt de volgende trede, haar blik alweer strak op het scherm.
Wat zeg je op zo’n moment? Stop!? Je ziet toch dat het niet kan, stomme trut!? Haar aso-gedrag overvalt me, slaat me met stomheid. Instinctief draai ik haar mijn rug toe. Ze stopt vlak achter me, ik voel haar adem in mijn nek, tenminste, dat denk ik. Het is te klein hierboven.
‘We schudden geen handen,’ zei Rutte, ‘we geven elkaar een ellenboogje’… Ik haal uit. Voltreffer. Tand door lip, wenkbrauw gescheurd, bloed gutst over haar gezicht en druipt op de dure camel jas, dat krijg je er nooit meer uit… Ze heeft mazzel dat er een stapel post op mijn arm ligt, anders had-ie wel eens echt kunnen uitschieten.
Zonder enig benul van het onheil waaraan ze is ontsnapt, loopt ze rakelings langs me, naar de deur aan de linkerkant, en belt aan. Ik buig naar de lage rechter brievenbus, een klein formaat, duw de post dubbelgevouwen naar binnen. Dan kom ik overeind, draai me om en blijf staan, rug tegen de deur. Er zit krap anderhalve meter tussen ons. We ademen dezelfde lucht, de lucht die hier hangt, geen sprake van enige ventilatie. Ik pers mijn lippen op elkaar alsof dat het virus buiten houdt. Ik zwijg, ik kijk, ik wacht. Ze moet mijn priemende blik voelen. Ze geeft geen krimp, zelfgenoegzaamheid is een krachtig pantser.
De bewoonster links doet open, zegt, na een contactloze begroeting (dat wel): ‘Ik moet nog even wat pakken.’
‘Dan wacht ik beneden,’ zegt ze, en met een hoofdbeweging in mijn richting: ‘Zij moet hier nog wat doen.’ 
“Zij”? Ik ben op zijn minst ‘de postbode’, en voor haar ‘mevrouw de postbode’. Ze denkt opnieuw vlak langs me te kunnen lopen alsof ik er niet ben, haar blik, hoe kan het ook anders, vastgeklonken aan haar smartphone. Dit schreeuwt om een voetgroet, een beter moment voor de nieuwe voetgroet zal zich niet snel voordoen. Beleefd als altijd steek ik mijn voet uit. Daar gaat ze, voorover, languit de diepte in. In een reflex probeert ze zich op te vangen aan de leuning. Tevergeefs. Haar smartphone kondigt kletterend op de stenen trap het lot aan dat haar wacht. Voortanden versplinteren, ribben breken, andere kneuzen… schouder uit de kom, handen liggen open, pols verbrijzelt. En die mooie rechte neus voorgoed geknakt…  Bloedend kruipt ze over de stoep, verdwijnt rechts uit beeld. Ze weet van niks. Ze zit op Instagram of Pinterest, swiped bedkandidaten weg op Tinder, volgt de laatste sessie van NikkiTutorials. Allemaal ontiegelijk veel interessanter dan de portiek, de post en het virus.
Met gestrekte arm overhandig ik de bewoonster in de deuropening haar post. Ze stamelt een bedankje, stapt schutterig achteruit. Zij voelt het wel, de bijna tastbare woede, trekt zich schielijk terug achter haar voordeur. Het bezorgen van de post bij de overige adressen brengt me tot mezelf. De boosheid ebt weg en op de achttien treden naar beneden hervind ik mijn kalmte. Miss Brow Bar wacht op veilige afstand, haar gezicht ongeschonden, haar smartphone aanbiddend als een pelgrim de maagd Maria. Alleen haar hautaine glimlach verraadt dat ze zich bewust is van mijn aanwezigheid. Zien doet ze niets.
Jij mag wel uitkijken dame, die smartphone bied slechts schijnveiligheid. Jouw vlucht uit de werkelijkheid maakt de postbode niet minder echt. Niet minder aanwezig. En zeker niet minder gevaarlijk.