Tag archieven: lockdown

wappie?

De stelling op het schaakbord is een hersenkraker waarover Willem voorlopig niet is uitgedacht. Schaken op woensdagavond bij Geert is al jaren vaste prik, daar heeft die Netflix-serie met het schaakmeisje niks mee van doen. Biertje erbij en voor je het weet draait het hele bestaan om de strijd tussen zwart en wit op 64 vlakken. 
‘Je moet gaan’, zegt Geert, ‘anders ben je te laat.’
‘Fuck de avondklok’, zegt Willem, ‘dit is te mooi om te laten staan.’ 
‘Zometeen krijg jij een prent. En bij wie klop je dan aan?’
‘Ik zweer nu, met de hand op mijn hart… ‘ – Willem gaat erbij staan en vervolgt theatraal met luide stem, zijn woorden onderstrepend met gebaren – ‘…dat ik en ik alleen verantwoordelijk ben voor… Godverdomme! Wat doe je nou!?’
Geert heeft in één beweging de stukken van het bord geveegd: ‘Jou behoeden voor ellende. Complot of geen complot, 95 euro is een hoop geld.’ 
‘Weet je wel hoe in-en-in triest dit is? Je voegt je bij de makke schapen die zich laten scheren voor de jas van…’
‘Mèhèhè’, mekkert Geert, ‘mèhèhè.’ Hij loopt als een bok met gebogen hoofd op zijn maat af en dwingt hem richting kapstok. Willem trekt met zichtbare tegenzin zijn jas aan, priemt dan zijn wijsvinger richting Geert: ‘En jij zet die stelling terug! Volgende week veeg ik jou van het bord, en dan wel volgens de regels van het spel!’
‘Shhht. En zachtjes op de trap.’ 
‘Jaja, de benedenburen… Later!’ 
Geert sluit zacht de voordeur achter Willem die door het trappenhuis naar beneden loopt en met moeite de aandrang bedwingt om zijn frustratie eruit te stampen en de buitendeur dicht te knallen. Fucking avondklok. Die falers in Den Haag besluiten om het volk na negen uur op te sluiten en wat denk je? In plaats van dat de pleuris uitbreekt en iedereen gaat rondlopen om te laten weten dat we het spuugzat zijn en het niet meer pikken, zitten we gedwee in ons huis achter glas naar een scherm te staren. Dieren mag je niet opsluiten in kleine hokken, maar mensen mag je van hun vrijheid beroven… we leven in een vrij land, jaja, en op 5 mei gaan we weer met zijn allen onze vrijheid vieren. Alleen nu even niet. Wie is hier nou wappie? Iedereen met een zinnig verstand weet dat Kennedy niet doodgeschoten kan zijn door Lee Harvey Oswald. Iedereen die zich heeft verdiept in 9/11 weet dat het officiële verhaal niet klopt. En Covid is wel het grootste complot. Virussen bestonden al lang voor de eerste mens zijn neus liet zien. Als je de evolutie bekijkt, hebben dier en mens altijd samengeleefd met virussen en je zou kunnen zeggen dat dat altijd goed is gegaan. Natuurlijk gaat er ook af en toe wel eens iets fout en dan vallen er een paar dooien, maar virussen horen erbij, zonder virussen kun je niet leven, er zitten miljoenen virussen in je lichaam. Het beste wat je kan doen, is uitgaan van de meest harde feiten en die komen nog altijd vanuit de wetenschap, en dan bij voorkeur de wetenschap die niet gelieerd is aan de Big Pharma en de bijbehorende geldstromen, want je merkt dat zodra wetenschappers in dienst zijn bij die bedrijven, ze er ineens heel andere feiten op na houden dan wetenschappers die dat niet zijn. Maar daar hoor je ze niet over met hun kwaliteitskranten en hun onderzoeksjournalistiek… Hij stopt voor een raam waar een poster hangt met de tekst: “Ik hou 1,5 meter afstand van jou” en een groot rood hart erop. 
‘Mèhèhè’, mekkert hij en kijkt om zich heen. 
‘Mèhèhè’, doet hij opnieuw, nu een stuk harder, en wijst op de poster. Dan tikt hij een paar keer met de wijsvinger tegen zijn voorhoofd, draait een rondje om zijn as, zijn ogen verkennen de verlichte vensters van de woonblok tot driehoog aan toe, een hernieuwd ‘mèhèhè‘ weerkaatst tussen de huizen in de stilte, lekker luid. Laat ze het maar horen allemaal, laat ze het maar zien! Iedereen sluit zijn ogen, stopt zijn oren dicht voor de waarheid. Allemaal hersendode volgelingen van de elite die ondertussen de strik steeds verder dichttrekt. Hij loopt door met grote passen, de armen zwaaiend in de cadans van zijn zelfverzekerde tred. Dit is wie hij is: een onverzettelijk man met bijpassend stevig postuur. Niet groot, wel gezegend met een buikomvang die hem tot de risicogroep doet behoren. Hij kent de verzinsels, de bangmakerij, allemaal onderdeel van het complot om iedereen in het gareel te krijgen. 

Ets, Frans Lebret 1897

Sneller dan hem lief is staat hij voor zijn voordeur. Hij haalt de sleutels uit zijn jaszak, tegelijk met de telefoon. 20:59. Eén minuut voor de avondklok. Hij staart naar het scherm. Het lacht hem uit. Angsthaas, zegt het, en het springt op 21:00. Schaap. Mak schaap. Vastberaden stopt hij het telefoontje terug in zijn jaszak, zijn sleutels erbij. Ik ga genieten van mijn vrijheid. Ik ben een vrije burger in een vrij land, ik ga genieten van mijn vrijheid, en wel nu! Met ferme pas loopt hij langs de huizen in zijn straat, langs mensen onderuitgezakt voor de televisie of aan tafel starend naar een scherm, sommige alleen, anderen samen, ouderwets scrabble spelend. Willem ziet het niet, en als hij het al ziet, dringt het niet tot hem door. Hij is zich bewust van het belang van dit moment, niet alleen voor hem persoonlijk, ook voor de samenleving als geheel. Want als we allemaal het verzet staken, is de vrijheid verloren. 
Een langzaam rijdende auto komt hem tegemoet. Medestanders? De koplampen verblinden hem tot de auto naast hem is. Dan ziet hij ze. Fluorescerende strepen van uniformen. Die gasten rijden godverdomme in een burgerauto! Nog voor dit goed en wel tot hem doordringt, hebben zijn benen al een beslissing genomen. ‘Meneer’! hoort hij nog, hij is al weg. Stoppen is geen optie. Rennen! Rennen rennen rennen! Zo hard hij kan langs het huizenblok naar de hoek, als hij die haalt en links afslaat, krijgen ze het moeilijk, en ja het lukt, hij hoort niks meer achter zich. Hij houdt tempo tot de volgende hoek, als hij die om is, is hij uit het zicht, dan vinden ze hem niet meer. Hij rent, krachtig en snel, zoals je alleen in dromen rent. Hij hoort niets achter zich. Heeft hij ze afgeschud? Echt gerust is hij er niet op. Een beetje vaart minderen kan wel, het moet, hij heeft namelijk in geen jaren meer zo hard gelopen, maar ja wat wil je. De boete is 95 euro. Hij heeft geen 95 euro, hij leeft van minder dan een bijstandsuitkering, dan kun je geen 95 euro missen. Dus holt hij door langs het lange deel van het woonblok over de verlaten stoep. Naar huis. Thuis is hij veilig.  De zijstraat lonkt veelbelovend, hij zet even extra aan, voor tegenliggers hoef je nu niet bang te zijn, dat is dan weer een voordeel, driest scheert hij de bocht om. Daar staan ze. Niet de gewone auto die hem de stuipen op het lijf heeft gejaagd maar een officiële politie-auto. Een agent doet het portier al open. Willem denkt niet na, hij handelt. Hij rent zo hard hij kan, nooit eerder heeft hij zo hard gerend, zelfs niet in die droom met de kudde olifanten. Riep de agent dat hij moest blijven staan? Hij weet het niet, hij weet alleen dat daar zijn voordeur is. Hij tast naar de sleutels in zijn jaszak, pakt alvast de juiste sleutel. Deur in zicht. Sleutel in slot, feilloos, onwaarschijnlijk trefzeker. Deur open. Binnen! Hij gooit hem dicht. Dat is tenminste de bedoeling. Maar iets houdt de deur tegen, sterker nog, hij wordt opengeduwd. Willem struikelt achteruit en belandt met zijn achterste op de trap. In de deuropening staat een reus van een politie-agent, wijdbeens, de rechterhand op de knuppel aan zijn broekriem, de ogen strak op hem gericht.
‘Meneer’, zegt de agent, ‘woont u op dit adres?’
‘Ja’, zegt Willem hijgend en houdt de sleutels omhoog: ‘Kijk maar!’
‘Waarom rent u dan zo hard?’
‘Het is avondklok man, ik ben te laat!’
‘Is dat alles?’ 
‘Ja man, wat denk jij dan?’
De agent gooit het hoofd in de nek en lacht als om een goeie grap, stapt naar buiten en schenkt hem een brede grijns voor hij de deur achter zich dichttrekt. Willem staart verbouwereerd naar de plek waar zojuist zijn noodlot in het niets is opgelost, niet bij machte zich te bewegen. Uiteindelijk strompelt-ie, hijgend en wel, de trap op naar zijn woning op éénhoog. Van alle dienstkloppers treft uitgerekend hij vanavond die ene, schappelijke gozer. Wat een mazzel.

Boer Harm

Heerlijk op mijn schrijfwerkplek in het tuinhuis. Straks een cappuccino buiten in de schaduw, omlijst met de geluiden van de stadsnatuur. Ik noem het gezoem van hommels op bezoek bij de blauweregen, de ijle kreten van de gierzwaluwen hoog boven de huizen, het getsjilp van vogeltjes waarvan ik de naam niet ken, de zang van merels, de snelle opeenvolging van WhatsApp-pings vanaf een balkon, ik meen zelfs het tikken van duimpjes op toetsjes te horen. Plots wordt alle lieflijkheid verstoord door het gesnerp van de tegelslijper in de belendende tuin. Alweer. Ze zijn minstens twee weken al bezig met het leggen van tegels, het timmeren van een zitje, het repareren van kozijnen, het schuren van houtwerk, kortom, het modelleren van een tuin tot een vtwonen-waardig buiten. 

De wolk slijpstof blaast naar binnen, op de hielen gezeten door de blauwe walm van het benzinemotortje dat het apparaat aandrijft. Te laat trek ik de deur dicht. Ik nies een paar keer, luid en ongeremd, dat lucht op. Buiten gaat het stof liggen en krijg ik zicht op de hopen zand en stapels tegels. Op waar eens, nog niet zo lang geleden, een lommerrijke tuin was. Hete en droge zomers doorstond hij met gemak. Egels konden veilig doorsteken, zich onderweg tegoed doend aan de slakken; een oude, pokdalige pad scharrelde er graag onder de struiken. Die was er ineens, zoals het meeste dat in mijn tuin leeft en groeit spontaan is komen aanwaaien en er zich een thuis maakt, wortel schiet voor korte of langere tijd. Ik heb er geen verstand van, kijk toe hoe het zich ontwikkelt. Sommige planten moet ik niet, ze woekeren of ze zijn lelijk of allebei, die trek ik uit. Je moet elkaar de ruimte gunnen, ook als je plant bent. Mijn getemde wildernis is met lage schuttingen tot halverwege afgescheiden van de tuinen van de buren aan weerszijden. Op die manier houden de dieren hun overpad, zitten wij niet in beklemmende hokjes en hebben we toch privacy. Een stadsidylle die niet kon duren. De buurvrouw heeft geen tijd voor al dat groenonderhoud – ze werkt in de zorg –  en daarom een hovenier ingehuurd die het meeste groen vakkundig vervangt door stoeptegels. Achter in haar tuin heeft hij een stuk afgerasterd met betongaas, dat in kale gedaante de toekomstig loungeplek een gevangenisachtige uitstraling geeft. 
‘Er komt wel groen hoor,’ zei hij toen hij mijn bezorgde blik zag. ‘Als erfafscheiding heb ik iets moois, iets bloeiends in gedachten. Komt goed!’
Een paar huizen verderop begint nu een ander klusapparaat te gillen dat het een lust heeft. Ik voorzie een koor van zaag-, schuur-, frees- en andere herriemachines, van trilapparaten en slijptollen. Voor je het weet wordt de hele buurt aangestoken door het klusvirus dat een niet te onderschatten bijwerking is van de lockdown. 

In huis werkt mijn lief op de laptop aan de keukentafel aan een briljant doch geldverslindend kunstproject. Ik loop over het platje naar de openstaande schuifdeur en wil vanuit de deuropening iets zeggen. Uitgerekend op dat moment begint een tegel onder de slijper te krijsen dat het door merg en been gaat, en ik verhef mijn stem: ‘Ik wil gaan kamperen bij Boer Harm!’
Hij kijkt verstoord op: ‘Wat? Wil je naar Wuhan?!’
‘Neehee, Boer Harm! In Drenthe! Daar is het rustig en stil!’
‘Wuhan? In de lente? Het is het hele jaar al rustig en stil in Wuhan!’