Tag archieven: brievenbus

Van een stoeltje en een bankje

Rond het middaguur sta ik enigszins verdwaasd en vooral verhit op het Scheldeplein. Mijn postkar is leeg, de eerste wijk van de dag zit erop. Ik heb hem slaapwandelend gelopen, herinner me er helemaal niets van. Zelfs mijn vaste ergernis, het stoeltje van nummer 35, heeft me niet wakker geschud. Misschien versperde het voor één keer niet de toegang tot de brievenbus. Of misschien heb ik de raad van Bram de krantenbezorger opgevolgd. Dat ga ik uitleggen.

In het voortuintje van nummer 35 staat een leuk terrassetje, twee bistrostoeltjes en een tafeltje, je kent dat wel. Nu hebben de mensen hier geen ruimtegebrek. Hun optrekje is iets bescheidener dan de kapitale villa’s aan de overkant maar valt nog altijd in de categorie miljoenenpand. Ze hebben een voortuintje van zo’n 20 vierkante meter. Soms staat er een fiets, verder is de betegelde buitenruimte vrij, op een zieltogend boompje na. Ongetwijfeld zitten ze graag buiten in hun royale achtertuin. Vóór het huis heb ik nooit iemand zien zitten. Dus waarom dat ene stoeltje uitgerekend voor de brievenbus moet staan zodat geen bezorger erbij kan, is me een raadsel. Ooit – ik was nog een groentje in de postbezorging – heb ik de vrouw des huizes gevraagd of het stoeltje niet een half metertje opzij kon. Ze zag het probleem niet. Sterker nog, de positie was perfect. Staand in de deuropening demonstreerde ze hoe je vandaaruit een brief tussen de spijltjes van de rugleuning kon doorschuiven. Mijn verbouwereerd tegensputteren wuifde ze hooghartig weg. Mevrouw bleek werkzaam in de advocatuur. Geen kruid tegen gewassen, zoals andere collega’s na mij hebben mogen ondervinden. Laatst heb ik het probleem voorgelegd aan mijn teamleider, een regeltjesneuker eersteklas, die meteen beloofde langs te gaan. Ik verkneukelde me bij de gedachte hoe hij citerend uit de postwet haar om de oren zou slaan met de regelgeving omtrent het totale brievenbusgebeuren. Helaas. ‘Schuif dat stoeltje maar opzij’, appte hij, ‘niks aan te doen’. Daarna heb ik nog één keer geprotesteerd, in stilte. Ik stond voor de deur en dacht ‘je kan de pot op’, draaide om en nam me voor alles retour te sturen wegens ‘geen brievenbus’, een aan te vinken hokje op de retoursticker. Kwam ze vlak daarna voorbijgefietst, gehuld in een witte mantel, en schonk ze me vanonder haar breedgerande witte hoed een stralende glimlach. Ze had geen minuut eerder moeten thuiskomen. Mijn opgekropte ergernis, haar zelfgenoegzaamheid en het stoeltje waren dé ingrediënten voor een explosieve cocktail. Eén vonkje en de gevolgen waren niet te overzien. Ik liet het zo, beantwoordde haar minzame groet met een keurig ‘Dag mevrouw.’ De voor haar bestemde brieven in mijn tas koesterde ik als een kleine, zoete wraak. 

Dezelfde dag kwam ik Bram tegen, krantenbezorger en ex-collega, die de middageditie rondbracht, en vertelde hem van mijn actie. Hij grinnikte erom. 
‘Bezorg jij daar ook?’ vroeg ik, ‘ik neem aan dat ze een krant hebben’.
‘Ja, de NRC.’
‘Erger jij je dan niet aan dat stoeltje?’ 
‘Nee… ik stoor me bijna nergens aan, anders heb ik geen leven. Het moet echt helemaal dichtgegroeid zijn met doornstruiken wil ik niet bezorgen. Ik denk er niet bij na, ik duw of trap het opzij, klaar.’
Hmm. Zat wat in. De volgende dag heb ik de achtergehouden post alsnog besteld. En vandaag heeft het stoeltje me niet eens uit mijn trance-achtige routine gehaald. 

Hier op het Scheldeplein lonkt ijskiosk Pisa. Meestal weersta ik de lokroep van lekkere ijsjes, maar vandaag is een perfect moment om eraan toe te geven. De Italiaanse verkoopster maakt liefdevol een heuveltje citroenijs op het aardbeien- en mango-ijs in het bekertje. De immer bezette betonnen bankjes in de schaduw zijn wonderwel vrij. Amsterdam is op vakantie of zoekt verkoeling bij het water. Slechts één vrouw zit op de kopse kant van een bankje in de zon aan haar hoorntje te likken, haar rug naar de overige drie ijseters. Een man en zijn zoontje staan naast een bakfiets in de schaduw, ze lepelen net zoals ik ijs uit een bekertje. In de bak zit het dochtertje aan haar ijsje te likken. Ik vermoed dat ze bij elkaar horen. Het uiterlijk van alle vier is onberispelijk, de kleding on-Amsterdams keurig en verzorgd, gladgestreken, en mooi van snit. Het zouden Duitsers kunnen zijn, die kunnen er zo smetteloos uitzien, of Noren, die zijn een soort van overtreffende trap frisgewassen. Deze vier hebben een donkere huid; waarschijnlijk toch geen Duitsers of Noren. Nee, verbeter ik mezelf, dat weet je niet. Expats? Misschien gaan ze naar een feestje… Maar de bakfiets… een bakfiets is typisch Nederlands. De opstelling is wat ongezellig, mamma met de rug naar man en kinderen, maar ik merk niets van een negatieve lading of bedrukte sfeer. 
De betonnen bankjes zijn gevlekt alsof ze nat zijn, compleet met donkere druipsporen langszij en glimmende plekken in het midden, waar het email of de kunststof, of wat het ook mag zijn, dikker is. Het is net echt. Ik ga zitten en neem een hapje van het overheerlijke ijs. Dan pas dringt het tot me door, in letterlijke zin ook, dwars door mijn broek tot mijn zitvlak. Met een kreet spring ik op. De man doet verschrikt: ‘Oh!’ 
De vrouw kijkt om, zegt verontwaardigd: ‘Erg hè! Allemaal nat!’ 
‘Gelukkig is het warm’, zeg ik grinnikend, ‘het is zo weer droog’.  
Dat ze niet om mijn onhandigheid lachen is vreemd. Kreukvrij en geen humor… ik geef het op. 
Ik vind een kleine, droge plek om te zitten en rustig mijn ijsje te eten. Mijn gedachten dwalen over het gebeurde en ik schiet opnieuw in de lach. Best een leuk idee voor de openbare ruimte: nep-natte bankjes!

Een echte Tielenburg

Een tikje teleurgesteld begin ik aan de afdaling vanuit de portiek waarin ik zojuist op vijf adressen post heb bezorgd. Voor het zesde was er niks. De trap die ik afdaal is smal, wat hem steiler doet lijken dan de bredere trappen elders in de buurt. Desondanks loopt hij niet zwaarder of lastiger dan de overige zevenenvijftig die ik vandaag bedwing – ‘Wat zal jij een mooie gespierde billen hebben’ werd me ooit met onverholen jaloezie toegevoegd door een seksegenote, een stuk jonger maar toch niet tevreden over de mate van spieropbouw en/of vetverlies ondanks intensief sportschoolbezoek, vrouwen zijn zelden tevreden met het resultaat van hun inspanningen waar het hun uiterlijk betreft. Ik heb geen klachten over mijn billen. Enfin, ik ben halverwege als achter me een deur opengaat. Ik kijk over mijn schouder. Een man draait vrijwel onhoorbaar de deur van links éénhoog op slot.  
‘Geen post voor u vandaag,’ zeg ik achterom.
‘Geeft niet.’
‘Jawel! Ik vind het namelijk leuk om bij u post in de brievenbus te stoppen.’ 
‘Echt waar?’ 
‘Hij klapt zo verrassend open.’
‘Is het u opgevallen?’
‘Ik verheug me er zelfs een beetje op als ik naar boven loop.’ 
‘Ik heb hem zelf gemaakt,’ zegt hij met enige trots.
Tielenburg, ik neem aan dat hij het is, staat boven aan de trap, sleutels in de hand, een eenvoudige man met vriendelijke uitstraling. Een jaar of zestig, misschien wat ouder, lastig te schatten. Zijn verschijning heeft iets tijdloos’.
‘Hij voldoet aan de wettelijke regels,’ zegt hij, ‘is exact 26,5 bij 3,2.cm…’ – ik grinnik hardop, hij vervolgt ietwat verstoord – ‘…de afmetingen zoals de PTT die ooit heeft vastgesteld.’
Hij staat inmiddels weer voor zijn deur. Ik keer op mijn schreden terug en kijk mee terwijl hij vooroverbuigt om zijn ontwerp nader toe te lichten, me wijst op standaard hoekprofielen, bij elke ijzerwinkel verkrijgbaar, een gewone veer en aanverwante zaken. Mijn bekentenis dat ik aanvankelijk aan schuifdeurtjes dacht, veroorzaakt een licht hoofdschudden: ‘Dat is onmogelijk…’
‘Als je een gewone envelop door het midden bezorgt, kun je niet zien hoe het werkt,’ voer ik aan ter verdediging, ‘het is heel uitzonderlijk dat hij naar twee kanten openklapt. Ik heb hem zelfs gefotografeerd.‘
‘O?’ 
‘Voor mijn verzameling bijzondere brievenbussen.’
‘Heeft u een verzameling bijzondere brievenbussen? Welke brievenbussen heeft u dan zoal verzameld?’
‘Heel verschillende… nou ja, hoe zeg ik dat… de meeste brievenbussen zijn de post vijandig gezind.’ 
Hij humt instemmend, gaat even op zijn tenen staan en weer terug op zijn hakken, herhaalt de beweging, het geeft hem iets jongensachtigs.
‘Te klein, te smal, zware kleppen, scherpe kleppen, geen opwiprichel maar ingewikkeld kantelmechaniek, anti-inbraak tanden, verkeerd gemonteerde borstels… en dat is maar een greep uit het arsenaal. Veren staan altijd te strak afgesteld, je vraagt je soms af of mensen überhaupt post willen krijgen…’
‘Ik moet hem ook weer eens smeren, de veer opnieuw afstellen…’
‘Welnee, hij gaat hartstikke soepel. Sommige krijgen een eigen beschrijving. Die van u heeft saloondeurtjes…’ – hij tuit zuinigjes zijn lippen – ‘…saloondeurtjes die elke envelop verwelkomen als een cowboy na een lange, stoffige reis’ – de ijle glimlach staat hem goed. ‘Ik ken nog één ander speciaal ontworpen exemplaar, net zo bescheiden maar dan achter een struik in de muur naast de voordeur van een villa. De post glijdt door een loshangende klep soepeltjes naar binnen… vind ik ook leuk, doet me denken aan kinderen op een glijbaan…’
We praten enthousiast verder over brievenbussen, mechanieken, technische uitdagingen – een voor de buitenstaander wellicht wat saaie uitwisseling – de naam Friso Kramer valt, de ontwerper van de bekende groene brievenbus. Net zoals laatstgenoemde blijkt Tielenburg industrieel ontwerper. Op dit moment is hij vooral bezig met licht… hij aarzelt. Kom, doe es gek, hoor ik hem denken. En hij zegt: ‘Wilt u het zien?’

Hij draait de deur al van het slot. Ik sta in dubio. Niet dat ik in hem een psychopaat vermoed met kwade bedoelingen, het is meer de dreiging van dat nieuwe virus. Handen veelvuldig wassen en vooral geen handen schudden, luidt het nieuwe gebod. Ook al doen Tielenburg en ik dat laatste niet, toch aarzel ik. Mijn bezorgersoutfit is smoezelig, het traplopen maakt zweterig, de buitenlucht snotterig… Ik druk het pak post tegen mijn borst. Zolang ik binnen niets aanraak, kan het vast geen kwaad. Het laatste wat ik wil is dat virus achterlaten in zijn woning, die, eenmaal binnen, een toonbeeld van helderheid en functionaliteit blijkt. Grijze vloerbedekking, strakke meubels. De Martin Visser slaapbank is de frivole blikvanger in compromisloos rood. Hij staat wat ongebruikelijk midden in de kamer, met de rugleuning tegen een grote werktafel.
‘Vanwege de 3D-printer daar tegen de muur’ beantwoordt Tielenburg mijn onuitgesproken vraag, ‘tijdelijk hier ter reparatie. Als die weg is, mag de bank weer op zijn plek bij het raam.’ Hij wijst naar de hanglamp waarvan het kapje geconstrueerd is uit halve aluminium bollen boven de ranke eettafel, en naar de kast. Ik kijk omhoog. Boven op de rand van de kast is een rij zilveren spotjes bevestigd waarvan de vierkante kapjes met aluminiumfolie geïmproviseerd lijken. 
‘Prototypes?’
‘Uhuh. Spotjes met ledlampjes, nog in de beginfase.’
‘Mooi. Is dat in opdracht? Gaat het geproduceerd worden?’
‘Nee, dat is zo moeilijk te realiseren… ik werk vanuit mijn eigen interesse. De drang om een brievenbus te ontwerpen stamt uit de tijd dat ik zelf postbode was. Alleen op de zaterdag. Ik studeerde aan de Rietveld academie en had een bijbaantje nodig… ik werd na korte tijd ontslagen. Ik deed er twee keer zo lang over dan de bedoeling was, omdat ik het belangrijk vond de post in de juiste bus bij de juiste naam te bestellen.’
‘Het eerste wat je moet afleren.’
‘Op een gegeven moment kreeg ik controle. Stond er iemand vanaf de overkant te kijken hoe ik het deed…’
‘Doen ze nog altijd’
‘Ongelofelijk.’
‘Ja. Verder is er wel veel veranderd. Alleen al die twee stapels post…’ 
‘Ik zag u laatst met zo’n uitklaptafeltje lopen.’ 
Zijn karakteristieke hupje verraadt dat deze observatie zijn ontwerpersinstinct kietelt, maar ik moet hem teleurstellen: ‘Dat was een andere postbode, ik gebruik het niet. Een postvest noemen ze dat. Het is bedoeld als hulpmiddel om tijdens het lopen post samen te voegen, die wordt namelijk niet meer zoals vroeger netjes op volgorde aangeleverd. Een bezuiniging. Ik vind het een onding, dus doe ik dat op de arm. Soms ook van tevoren op het depot, sta ik ouderwets te sorteren voordat ik op pad ga. Dat werkt het prettigst. Mag officieel niet. Erg kinderachtig allemaal…’
Tijdens ons gesprek dwalen mijn ogen door de kamer, blijven haken aan de eettafel. De houtverbindingen tussen blad en poten vallen me op vanwege de dunne dwarsbalkjes en de ongebruikelijke hoeken. 
‘Die tafel is ook bijzonder…‘
‘Eigen ontwerp. Ik heb alles hier in huis zelf ontworpen en gemaakt, alles behalve de bank en deze stoelen’ – hij wijst naar de twee stoeltjes aan weerszijden van de eettafel. 
‘Ik heb wel een stoel gemaakt, eentje maar, een heel speciale, die staat in de slaapkamer… Kom, dan laat ik hem zien.’
O jee. Het mag dan allemaal licht zijn, het interieur, dit gesprek, zijn uitstraling, maar toch… tien minuten na onze eerste ontmoeting al naar de slaapkamer voelt ongemakkelijk. Straks ligt daar een verdwaalde onderbroek… Hij merkt mijn aarzeling niet op, loopt langs me naar het halletje en wenkt: ’Hier staat mijn negenkantige stoel op drie poten. Zoiets heeft niemand ooit ontworpen, laat staan gemaakt. Het is een uniek exemplaar.’ 
Zoiets verzin je niet. Ik laat me meetronen naar de eenvoudige slaapkamer waar ik de negenkantige stoel op drie poten bewonder, eerst vanuit de deuropening en dan toch maar naar binnen. Vanaf mijn positie naast het opengeslagen bed kijk ik neer op de negenkantige zitting, buig voorover om de drie poten beter te bekijken. Ik draai me om naar Tielenburg die vlak achter me, meegesleept door zijn eigen enthousiasme, demonstreert hoe de deuren van de kledingkast wrijvingsloos open en dicht kunnen. Ineens krijg ik het erg warm, een blos brandt op mijn wangen, vermoedelijk vuurrood, en ben ik me overbewust van mijn vormeloze outfit in deze ordentelijke omgeving, meer bezig met mijn eigen ongemak dan met Tielenburgs presentatie van unieke meubelen. En dan sta ik plotseling weer buiten op bekend terrein. 
Gaandeweg maakt mijn verlegenheid plaats voor verwondering over deze ongewone ontmoeting. Het ging alleen wat te snel. Ik had op zijn minst een foto van de stoel moeten maken, of beter nog, erop moeten gaan zitten. Die stoel is gemáákt voor mooie postbezorgersbillen. Ik neem me voor nog een keer bij hem aan te bellen als dit hele coronagedoe voorbij is. Dan vraag ik om een tekening van de brievenbus, mijn foto’s schieten hopeloos tekort in het overbrengen van het technisch vernuft. En of ik de stoel nog eens mag zien. Of ik erop mag zitten. Voelen hoe dat zit, op een negenkantige zitting gedragen door drie poten. Op een echte Tielenburg.