Slaaploze nachten zijn lang

Mijn nieuwe huisarts is onverbiddelijk: ‘ik schrijf geen slaapmiddelen voor, tenzij alle andere mogelijkheden zijn uitgeput.’
In arren moede ben ik akkoord gegaan met een consult bij de praktijkondersteuner. Hij zal me helpen de oorzaak aan te pakken en me de nodige slaaphygiëne bijbrengen. Slaaphygiëne?!  Alleen al de aannames die aan dat woord ten grondslag liggen. Alsof je slaapt in een bed dat naar pis ruikt, vergeven van bedwantsen en luizen als in vroeger tijden, met ongepoetste tanden en in de kleren waarin je de tuin hebt omgespit of het varkenshok uitgemest. Nou mevrouw Barbara, u moet toch echt eerst een douche nemen en een schone nachtpon aantrekken en vervolgens keurig de handjes boven de dekens. Dat laatste stamt uit mijn jaren op het internaat. Omdat ik slecht sliep kreeg ik, negen jaar oud, speciale aandacht van zuster Annemarie, die verantwoordelijk was voor de kleintjes. Ik mocht in het bed dat enigszins apart van de rest in de slaapzaal tegen de dunne houten wand van haar chambrette stond. Ze stopte me liefdevol in, echt, ze heeft het vast goed bedoeld. De punten van het kussen trok ze over mijn schouders. Dan moest ik mijn armen op de dekens leggen, waarna ze het bed opmaakte alsof ik er niet inlag. Flink strak. Lekker warm, meende ze. Dat mijn armen lagen te vernikkelen was niet belangrijk. Wekenlang lag ik ingesnoerd in het niets te staren, luisterend naar het tandenknarsen en snurken van de twaalf meisjes aan de overkant van de zaal. Als zuster Annemarie zelf naar bed ging, tinkelden de tanden van haar kunstgebit tegen het glas waarin het de nacht doorbracht, gevolgd door een diepe zucht. Het klonk als opluchting. Pas toen ik dat als het sein opvatte om de dekens los te trekken en me op mijn zij te draaien met de armen lekker warm onder de dekens, ging het slapen beter. 
Misschien is mijn slaapprobleem toen ontstaan, maar wat schiet ik op met die wetenschap?  Slapen of niet slapen, dat is de kwestie. En voor die kwestie dit keer aan de orde komt zijn we drie weken verder. De eerstvolgende mogelijkheid voor een consult is namelijk over drie weken. Drie weken! Telefonisch! Daar lig ik me nu dus in het donker over op te winden. 
Als je één nacht niet slaapt, slaap je de volgende wel, zei ooit een huisarts bij wie ik stante pede ben vertrokken. Lariekoek! Als je één nacht niet slaapt, slaap je de volgende ook niet omdat je bang bent dat je niet kan slapen! ’s Avonds niet meer op een beeldscherm kijken is ook zo’n dooddoener. Hele vakanties zonder computer en televisie, kabbelend beekje op de achtergrond en ik lig te woelen en te draaien tot het licht wordt. Spacecake? Heerlijk ontspannen wakker liggen. Seks? Zie spacecake.  

foto Allard Boterenbrood


Inmiddels is het drie uur. Als ik nu in slaap val, heb ik nog vijf uur. Niet ideaal maar ook niet rampzalig. Rampzalig wordt het onder de vier uur. Ik moet nu een besluit nemen. Zal ik opstaan en wat lezen? Een kort verhaal van Biesheuvel… Geen zin. Het zal er uiteindelijk wel op uitdraaien, maar nog even niet. Ik loop alle mogelijkheden na. Ontspanningsoefeningen gedaan, van tenen naar hoofd en terug. Het helpt als je tijdens deze oefening wakker blijft, klonk de stem van de mindfulnesscoach in mijn gedachten. Kans op slaap verkeken. Tellen van één tot honderd en weer terug. Het idee dat nog een keer te moeten doen vervult me met afgrijzen. De lichtvlekken op de binnenkant van mijn gesloten oogleden volgen, hoe ze als de psychedelische vormen in een lavalamp naar de rand verdwijnen, zich samenvoegen, andere beelden oproepen, ineens een flits van het gezicht van Jezus, wonderlijk is dat. Iconisch beeld? Of toch de katholieke opvoeding die me parten speelt? Het brengt me bij weesgegroetjes als mantra, niet als roep om bijstand van Maria maar gewoon omdat een dergelijke reeks woorden aanstormende gedachten geen kans geeft. Na een tijdje stap ik over op Onzevaders, begeleid door een mummelende volle kerk, rustgevend als de cadans van een trein. Tot zich daar een deun doorheen wurmt, het zou een verlossing kunnen zijn, een wiegelied, maar dat is het niet. De carnavalskraker ‘Brabantse nachten zijn lang’ heeft zich namelijk met duivels plezier aan de situatie weten aan te passen:

‘Slaaploze nachten zijn lang, tadadam
 Slaaploze nachten zijn lang, tadadam 
Ze komen maar langzaam op gang 
Ja maar dan, ja maar dan.’ 

Een ware marteling, en hij staat op repeat. Hier moet snel Iets anders overheen. ‘God save the Queen’ van de Sex Pistols? Werkt niet. ‘Bedankt lieve ouders’ klinkt het nu, luid en duidelijk. Als ik niet uitkijk, hoor ik zo nog een draaiorgel, dit is echt iets voor een draaiorgel. Of heb ik het op een bouwvakkersradio gehoord, ergens vanaf een steiger waar ze 100% NL hebben opstaan? Tijdens het sorteren van de post stortten ze dit soort ellende ook over je uit. Ben ik dus jaren geleden mee gestopt. 

Bedankt lieve ouders, bedankt voor dit leven 
Bedankt lieve ouders, dat u mij hebt gegeven
 Ik begrijp nu pas goed, wat u voor mij hebt gedaan 
Bedankt dat mijn wiegje in uw huis hier mocht staan. ‘

En het blijft niet bij één keer hè, dit jengelt door, dit zeurt overal doorheen zoals die nederlandstalige hiphop met autotune stemvervorming uit de tuin van de achterburen. 
‘They fuck you up’ klinkt nu de stem van Philip Larkin. Mijn redder! Ooit zag ik zijn voordracht van ‘This Be The Verse’ op youtube en nu ken ik het eerste couplet uit mijn hoofd.

They fuck you up, your mum and dad. 
They may not mean to, but they do.
 They fill you with the faults they had.
And add some extra, just for you.’

Wow, dit heeft alles in zich om een hit te worden! Deze woorden op een stevige beat, een bas die je in je buik voelt, gevolgd door het lieflijke ‘Bedankt lieve ouders’… Ik sta op. Op de keukentafel ligt mijn notitieboekje. Morgen Ali B. bellen.

El Guapo en de cowboy

Na een vrieskoude nacht strekt de ijsvloer zich behaaglijk uit in de zon, glimmend van voorpret vanwege mijn aanstaande oversteek, zometeen, als ik klaar ben met de post voor het appartementencomplex. De werk-app maakt gewag van gevallen mannen. 
‘Zijn er geen gevallen vrouwen?’ informeert een collega gevat. 
IJspret bij de Post. We fietsen zwaar bepakt over smalle sporen, duwen of trekken de kar door hopen sneeuw, schuifelen voort, maken lange dagen. Mensen bestellen online dat het een lieve lust is en wij bezorgen het kleine spul. 
Voorovergebogen verzamel ik de pakjes van webwinkels in mijn tas, kom met een stapel op de arm overeind en kijk recht in de wijd opengesperde ogen van een maaltijdbezorger. In limoengroen pak staat hij een paar meter bij me vandaan op het ijs, gestrand in de gladheid. Hij kijkt naar het goedje onder zijn voeten, probeert zijn voet over een ijsgolfje te verplaatsen, vindt geen grip, glijdt terug en spant zich in om zijn evenwicht niet te verliezen. De fiets die hij rechts leidt, biedt geen houvast. Integendeel. Als die gaat glijden, is hij definitief het haasje. En of de warme maaltijd in de vierkante rugzak een valpartij overleeft is de vraag. Hoe is-ie überhaupt zo ver kunnen komen? Blind de aanwijzingen van de navigatie via zijn oortjes gevolgd in plaats van zijn eigen weg te kiezen? Allemaal leuk en aardig had-ie moeten denken, maar die glinstering waar jij me overheen stuurt, duidt op glad ijs. Heeft-ie niet gedaan. Misschien is-ie niet bekend met het verschijnsel, meer op zijn plek op een paard in de woestijn van Mexico dan op de fiets in winters Amsterdam, een munitiegordel over de borst in plaats van de last op zijn rug. Zijn donkere bebaarde gezicht doet me denken aan de roverhoofdman uit ‘The Three Amigo’s’, de komische western die ik zo vaak heb gezien dat ik sommige passages kan dromen. De drie helden vragen de weg en krijgen als aanwijzing: ‘Turn left at the Singing Bush. Held 1: ‘How do we recognise the Singing Bush?’ En dan staat er midden in de woestijn een struik met zijn takjes te zwiepen en snerpend, met een smurfenstem ‘For he’s a jolly good fellow’ te zingen. Intens flauw, ik geef toe dat je in de stemming moet zijn, maar ik grinnik bij de gedachte. De man op het ijs kijkt me niet begrijpend aan, zijn ogen groot van angst. 
Jij bent de sjaak, El Guapo. Tenzij… Ik leg mijn pakjes terug, strek mijn arm uit naar het stuur van zijn fiets, kan er net bij. 
‘Eerst je fiets’, zeg ik, ‘dan jij.’
‘One moment’, zegt hij en trekt behoedzaam het kabeltje uit het scherm op zijn stuur. Verbazend koelbloedig gezien zijn hachelijke situatie. Hij knikt. Ik trek de fiets recht naar me toe. Het lukt, ik zet hem tegen de muur en draai me om. Een jongen met stroeve schoenen is te hulp geschoten en voltooit de reddingsactie. Toch mooi hoe ontbering verbroedert, al geeft El Guapo weinig blijk van blijdschap. Hij controleert of zijn fiets stevig staat, zet hem op slot, mompelt ‘Thank you’ en laat zijn blik over het ijs dwalen: ‘This is very dangerous! How come they don’t do anything about this?’
‘Who?’
‘The city!’
‘Everyone is supposed to clear a path in front of their house… anyway, it’s only for a week…’
‘If it is only for one day, they should do something!’
Overtuigd van zijn gelijk checkt hij de app op zijn scherm en loopt naar binnen met de warme maaltijd intact op zijn rug. Dankzij mijn hulp, als je dat maar weet broeder Guapo! 

Onverminderd glunderend wacht de ijsvloer op een nieuwe waaghals. Ik ben hem te slim af, zie kans om via de richel waar net een voet op past langs de geveltuin ongeschonden de dertig meter af te leggen en mijn postkar, een oud rammelding dat het niet alleen elk moment kan begeven maar zich ook lastig laat sturen, in toom te houden. De verdere dag is het opletten geblazen. Soms glibber ik voetje voor voetje, dan weer zoek ik houvast bij trapleuningen, beducht voor linke afstapjes en beijsde traptreden – een van de gevallen mannen heeft zijn ribben gekneusd op een hardstenen trap. Ik krijg veel bedankjes van lieve mensen die daarmee het chagrijn, dat door de barre omstandigheden op de loer ligt, bezweren.

Als ik aan het eind van de middag na zeven uur ploeteren – ik heb twee keer zo lang over mijn werk gedaan als normaal – richting depot loop, is niet alleen de warmte van het saamhorigheidsgevoel verdwenen. Ook de zon trekt zich terug achter de huizenblokken en geeft de straat prijs aan de oprukkende kou. Gevoelstemperatuur min 15. Ik ga de laatste hoek om naar het depot en stop abrupt. Ik kan mijn ogen niet geloven, dit moet een fata morgana zijn. Waarom zou die alleen bij grote hitte ontstaan en niet bij ernstige kou en uitputting? Uitputting doet wat met een mens, in dit geval met mij. Ik stuur mijn kar de stoep af de straat op om het gebeuren van enige afstand gade te slaan. 
Een jonge cowboy staat grotendeels naakt in de sneeuw, slechts gekleed in slip, laarzen en hoed. Terwijl de gure wind zich uitleeft op zijn blote huid wacht hij doodgemoedereerd tot een driemansfilmploeg klaar is voor de volgende take. Ik zou even een badjas aanschieten, maar hij geeft geen krimp. Dan zijn ze zover. De cameraman loopt achteruit en de cowboy loopt rappend tegen de camera met hem mee. Ik maak met mijn verkleumde vingers nog snel een foto. Anders denkt iedereen straks dat ik het allemaal maar een beetje bij elkaar verzin. 

wappie?

De stelling op het schaakbord is een hersenkraker waarover Willem voorlopig niet is uitgedacht. Schaken op woensdagavond bij Geert is al jaren vaste prik, daar heeft die Netflix-serie met het schaakmeisje niks mee van doen. Biertje erbij en voor je het weet draait het hele bestaan om de strijd tussen zwart en wit op 64 vlakken. 
‘Je moet gaan’, zegt Geert, ‘anders ben je te laat.’
‘Fuck de avondklok’, zegt Willem, ‘dit is te mooi om te laten staan.’ 
‘Zometeen krijg jij een prent. En bij wie klop je dan aan?’
‘Ik zweer nu, met de hand op mijn hart… ‘ – Willem gaat erbij staan en vervolgt theatraal met luide stem, zijn woorden onderstrepend met gebaren – ‘…dat ik en ik alleen verantwoordelijk ben voor… Godverdomme! Wat doe je nou!?’
Geert heeft in één beweging de stukken van het bord geveegd: ‘Jou behoeden voor ellende. Complot of geen complot, 95 euro is een hoop geld.’ 
‘Weet je wel hoe in-en-in triest dit is? Je voegt je bij de makke schapen die zich laten scheren voor de jas van…’
‘Mèhèhè’, mekkert Geert, ‘mèhèhè.’ Hij loopt als een bok met gebogen hoofd op zijn maat af en dwingt hem richting kapstok. Willem trekt met zichtbare tegenzin zijn jas aan, priemt dan zijn wijsvinger richting Geert: ‘En jij zet die stelling terug! Volgende week veeg ik jou van het bord, en dan wel volgens de regels van het spel!’
‘Shhht. En zachtjes op de trap.’ 
‘Jaja, de benedenburen… Later!’ 
Geert sluit zacht de voordeur achter Willem die door het trappenhuis naar beneden loopt en met moeite de aandrang bedwingt om zijn frustratie eruit te stampen en de buitendeur dicht te knallen. Fucking avondklok. Die falers in Den Haag besluiten om het volk na negen uur op te sluiten en wat denk je? In plaats van dat de pleuris uitbreekt en iedereen gaat rondlopen om te laten weten dat we het spuugzat zijn en het niet meer pikken, zitten we gedwee in ons huis achter glas naar een scherm te staren. Dieren mag je niet opsluiten in kleine hokken, maar mensen mag je van hun vrijheid beroven… we leven in een vrij land, jaja, en op 5 mei gaan we weer met zijn allen onze vrijheid vieren. Alleen nu even niet. Wie is hier nou wappie? Iedereen met een zinnig verstand weet dat Kennedy niet doodgeschoten kan zijn door Lee Harvey Oswald. Iedereen die zich heeft verdiept in 9/11 weet dat het officiële verhaal niet klopt. En Covid is wel het grootste complot. Virussen bestonden al lang voor de eerste mens zijn neus liet zien. Als je de evolutie bekijkt, hebben dier en mens altijd samengeleefd met virussen en je zou kunnen zeggen dat dat altijd goed is gegaan. Natuurlijk gaat er ook af en toe wel eens iets fout en dan vallen er een paar dooien, maar virussen horen erbij, zonder virussen kun je niet leven, er zitten miljoenen virussen in je lichaam. Het beste wat je kan doen, is uitgaan van de meest harde feiten en die komen nog altijd vanuit de wetenschap, en dan bij voorkeur de wetenschap die niet gelieerd is aan de Big Pharma en de bijbehorende geldstromen, want je merkt dat zodra wetenschappers in dienst zijn bij die bedrijven, ze er ineens heel andere feiten op na houden dan wetenschappers die dat niet zijn. Maar daar hoor je ze niet over met hun kwaliteitskranten en hun onderzoeksjournalistiek… Hij stopt voor een raam waar een poster hangt met de tekst: “Ik hou 1,5 meter afstand van jou” en een groot rood hart erop. 
‘Mèhèhè’, mekkert hij en kijkt om zich heen. 
‘Mèhèhè’, doet hij opnieuw, nu een stuk harder, en wijst op de poster. Dan tikt hij een paar keer met de wijsvinger tegen zijn voorhoofd, draait een rondje om zijn as, zijn ogen verkennen de verlichte vensters van de woonblok tot driehoog aan toe, een hernieuwd ‘mèhèhè‘ weerkaatst tussen de huizen in de stilte, lekker luid. Laat ze het maar horen allemaal, laat ze het maar zien! Iedereen sluit zijn ogen, stopt zijn oren dicht voor de waarheid. Allemaal hersendode volgelingen van de elite die ondertussen de strik steeds verder dichttrekt. Hij loopt door met grote passen, de armen zwaaiend in de cadans van zijn zelfverzekerde tred. Dit is wie hij is: een onverzettelijk man met bijpassend stevig postuur. Niet groot, wel gezegend met een buikomvang die hem tot de risicogroep doet behoren. Hij kent de verzinsels, de bangmakerij, allemaal onderdeel van het complot om iedereen in het gareel te krijgen. 

Ets, Frans Lebret 1897

Sneller dan hem lief is staat hij voor zijn voordeur. Hij haalt de sleutels uit zijn jaszak, tegelijk met de telefoon. 20:59. Eén minuut voor de avondklok. Hij staart naar het scherm. Het lacht hem uit. Angsthaas, zegt het, en het springt op 21:00. Schaap. Mak schaap. Vastberaden stopt hij het telefoontje terug in zijn jaszak, zijn sleutels erbij. Ik ga genieten van mijn vrijheid. Ik ben een vrije burger in een vrij land, ik ga genieten van mijn vrijheid, en wel nu! Met ferme pas loopt hij langs de huizen in zijn straat, langs mensen onderuitgezakt voor de televisie of aan tafel starend naar een scherm, sommige alleen, anderen samen, ouderwets scrabble spelend. Willem ziet het niet, en als hij het al ziet, dringt het niet tot hem door. Hij is zich bewust van het belang van dit moment, niet alleen voor hem persoonlijk, ook voor de samenleving als geheel. Want als we allemaal het verzet staken, is de vrijheid verloren. 
Een langzaam rijdende auto komt hem tegemoet. Medestanders? De koplampen verblinden hem tot de auto naast hem is. Dan ziet hij ze. Fluorescerende strepen van uniformen. Die gasten rijden godverdomme in een burgerauto! Nog voor dit goed en wel tot hem doordringt, hebben zijn benen al een beslissing genomen. ‘Meneer’! hoort hij nog, hij is al weg. Stoppen is geen optie. Rennen! Rennen rennen rennen! Zo hard hij kan langs het huizenblok naar de hoek, als hij die haalt en links afslaat, krijgen ze het moeilijk, en ja het lukt, hij hoort niks meer achter zich. Hij houdt tempo tot de volgende hoek, als hij die om is, is hij uit het zicht, dan vinden ze hem niet meer. Hij rent, krachtig en snel, zoals je alleen in dromen rent. Hij hoort niets achter zich. Heeft hij ze afgeschud? Echt gerust is hij er niet op. Een beetje vaart minderen kan wel, het moet, hij heeft namelijk in geen jaren meer zo hard gelopen, maar ja wat wil je. De boete is 95 euro. Hij heeft geen 95 euro, hij leeft van minder dan een bijstandsuitkering, dan kun je geen 95 euro missen. Dus holt hij door langs het lange deel van het woonblok over de verlaten stoep. Naar huis. Thuis is hij veilig.  De zijstraat lonkt veelbelovend, hij zet even extra aan, voor tegenliggers hoef je nu niet bang te zijn, dat is dan weer een voordeel, driest scheert hij de bocht om. Daar staan ze. Niet de gewone auto die hem de stuipen op het lijf heeft gejaagd maar een officiële politie-auto. Een agent doet het portier al open. Willem denkt niet na, hij handelt. Hij rent zo hard hij kan, nooit eerder heeft hij zo hard gerend, zelfs niet in die droom met de kudde olifanten. Riep de agent dat hij moest blijven staan? Hij weet het niet, hij weet alleen dat daar zijn voordeur is. Hij tast naar de sleutels in zijn jaszak, pakt alvast de juiste sleutel. Deur in zicht. Sleutel in slot, feilloos, onwaarschijnlijk trefzeker. Deur open. Binnen! Hij gooit hem dicht. Dat is tenminste de bedoeling. Maar iets houdt de deur tegen, sterker nog, hij wordt opengeduwd. Willem struikelt achteruit en belandt met zijn achterste op de trap. In de deuropening staat een reus van een politie-agent, wijdbeens, de rechterhand op de knuppel aan zijn broekriem, de ogen strak op hem gericht.
‘Meneer’, zegt de agent, ‘woont u op dit adres?’
‘Ja’, zegt Willem hijgend en houdt de sleutels omhoog: ‘Kijk maar!’
‘Waarom rent u dan zo hard?’
‘Het is avondklok man, ik ben te laat!’
‘Is dat alles?’ 
‘Ja man, wat denk jij dan?’
De agent gooit het hoofd in de nek en lacht als om een goeie grap, stapt naar buiten en schenkt hem een brede grijns voor hij de deur achter zich dichttrekt. Willem staart verbouwereerd naar de plek waar zojuist zijn noodlot in het niets is opgelost, niet bij machte zich te bewegen. Uiteindelijk strompelt-ie, hijgend en wel, de trap op naar zijn woning op éénhoog. Van alle dienstkloppers treft uitgerekend hij vanavond die ene, schappelijke gozer. Wat een mazzel.