Hij zij vervloekt

Er is weinig ruimte voor beslommeringen de laatste tijd. Alles valt in het niet bij de grote gebeurtenissen van deze tijd. De ditjes en datjes van een vreedzaam leven komen me ineens te onbenullig voor om aandacht aan te schenken. Ik noem de ergernis over de nieuwe verpakking van vuilniszakken die zijn gevouwen en opgerold op een manier die scheurlijn en opening nagenoeg onvindbaar maakt; de stofzuigerzakken bij de Blokker die geen van alle in mijn oude Philips passen; het doosje eieren dat tien stuks belooft maar er slechts negen bevat; mijn fiets die definitief de geest geeft… Ach, wat gun ik de Oekraïners mijn problemen. Buiten schijnt de zon uitbundig, wat iets pervers’ heeft. Ik weet het, er is altijd wel ergens oorlog. Mijn somberheid verandert niets aan de ellende van anderen, dus ga ik over tot de orde van de dag. Boodschappen doen bijvoorbeeld. IJ-witjes kopen, ze zijn in de aanbieding. 

Op de weg terug van de supermarkt naar huis rinkelen er geen flesjes in mijn tas. De IJ-witjes zijn uitverkocht. Hoef ik ze ook niet te sjouwen. Jawel, als ik een beetje mijn best doe, kan ik ook hier een positieve draai aan geven. Van achter me nadert een zingende man die daar zo te horen geen enkele moeite voor hoeft te doen. Hij zingt met het gemak van een getalenteerde zanger en beschikt over een goeie soulstem. Het nummer ken ik niet, misschien is het van eigen makelij. Ik kijk niet om maar wacht tot hij me inhaalt. Met soepel verende pas loopt hij voorbij, en anders dan zijn stem doet vermoeden is hij wit. Een ranke, jonge man met een weelderige bos krullen die over de rug van zijn leren jasje golft. Daaronder een strakke jeans in bootcut, maar in laarzen had hij vandaag geen zin. Blootsvoets gaat hij over de stoeptegels. Dit is vrijheid, zo ziet die eruit, zo klinkt die. Wat een geluk dat hij hier is en niet daar, in die oorlog. Dit is wat dictators het meest haten en uit pure machtshonger de kop in laten drukken. Normaal gesproken heeft een land een geheime dienst. In Rusland heeft de geheime dienst een land.  

Elke keer als Poetin ter sprake komt, stuiteren flarden van een vervloeking door mijn hoofd die ik niet kan thuisbrengen, tot Zelenski op 9 mei in zijn rede het een en ander te berde brengt dat mijn geheugen triggert. Het is de vervloeking uit de roman ‘Tristram Shandy’ *: 

“Dat de Vader die de mens schiep hem vervloeke. Dat de zoon die om onzentwil heeft geleden hem vervloeke. Dat de Heilige Geest, ons bij het doopsel ingestort hem vervloeke. Dat het heilige Kruishout, door de heilige Christus te onzent zaligmaking bestegen, hem vervloeke. 

Dat de heilige Maria, moeder Gods en altijd maagd, hem vervloeke. Dat de heilige aartsengel Michael, aller uitverkorenen voorspraak, hem vervloeke. Dat al de engelen, aartsengelen machten en krachten en al de hemelse legerscharen hem vervloeken. 

Dat Sint Jan de Voorganger en Sint Jan de Doper, en de heilige Petrus en Paulus, en de heilige Andreas, en alle andere apostelen van Christus, hem vervloeken. En dat al Diens verdere Discipelen, alsmede de vier evangelisten, die door hun prediking de ganse wereld hebben bekeerd, en dat de glorierijke schare der martelaren en belijders die door hun werken bij God Almachtig genade hebben gevonden hem vervloeken. 

Dat het koor der heilige maagden, die om Christus’ wil de ijdelheden dezer wereld hebben verzaakt, hem vervloeke. Dat alle heiligen die van de aanvang tot het einde der tijden Gods uitverkorenen zijn geweest, hem vervloeken. Dat de hemelen en de aarde en al het heilige daarin wonend, hem vervloeke. Dat hij vervloekt zij waar hij ga of sta, hetzij in het huis, hetzij in de stal, hetzij op de akker, hetzij op de heirbaan, hetzij op de landslag, hetzij in het woud, hetzij op het water, hetzij in de kerk. Dat hij vervloekt zij in leven en sterven. Dat hij vervloekt zij bij eten en drinken, bij honger, bij dorst, bij vasten, bij slapen, bij sluimeren, bij lopen, bij stilstaan, bij zitten, bij liggen, bij werken, bij rusten, bij pissen, bij poepen, en bij aderlaten. 

Dat hij vervloekt zij van binnen en van buiten. Dat hij vervloekt zij in het haar op zijn hoofd, Dat hij vervloekt zij in zijn hersenen en in zijn vertex (een hele nare vloek). In zijn slapen, in zijn voorhoofd, in zijn oren, in zijn wenkbrauwen, in zijn wangen, in zijn jukbeenderen, in zijn neusgaten, in zijn tanden en kiezen, in zijn lippen, in zijn keel, in zijn schouders, in zijn polsen, in zijn armen, in zijn handen, in zijn vingers. Dat hij vervloekt zij in zijn mond, in zijn borst, in zijn hart, in zijn maag, tot in al zijn buiks inwendigheden. 

Dat hij vervloekt zij in zijn nieren en in zijn liezen, in zijn dijen, in zijn voortplantingsorganen en in zijn heupen en in zijn knieën, zijn benen, zijn voeten en de nagels van zijn tenen. 

Dat hij vervloekt zij in al de geledingen en gewrichten van zijn ledematen, van de kruin van zijn hoofd tot de zool van zijn voet blijve niets aan hem heel. 

Dat de Zoon van de levende God in al de glorie Zijner Majesteit hem vervloeke, en dat de hemel met alle krachten daarin werkzaam tegen hem opsta, en hem vervloeke en verdoeme. Zo zij het, het zij zo. Amen.” 

Nou, die is verdoemd tot in alle eeuwigheid. 

* Citaat uit: ‘Het Leven en de Opvattingen van de Heer Tristram Shandy’, door Laurence Sterne, 1768. Vertaling van Jan en Gertrude Starink

Van pieken en dalen

In het typisch Nederlandse decemberweer dat pensionado’s naar de zon doet vluchten, sjouw ik me ongans aan de eindejaarspost. Black Friday, Sinterklaas, Kerst, en corona veroorzaken een zondvloed van pakjes. Bedrijven versturen hun jaaroverzichten in grote enveloppen, loterijen werven leden en platformbedrijven – vraatzuchtig als sprinkhanen massaal neergestreken – vechten via mailings om marktaandeel. Dubbeldikke tijdschriften blikken terug, reisgidsen immer hoopvol vooruit. Ik kijk niet verder dan de volgende brievenbus. Op een piekdag als vandaag krijg ik de post niet eens in een keer op mijn kar geladen. De wetenschap dat er morgen bijna geen post zal zijn, een daldag met een paar bundeltjes urgente post, maakt het allemaal nog erger. Dit afzien is niet alleen onnodig, het is door mijn werkgever georkestreerd. Het dient louter het streven naar maximale winst waarvan alleen de aandeelhouder profiteert. En de bonusopstrijkende manager, die ook. Niet de klant. Niet de collega op het sorteercentrum. En de bezorger al helemaal niet. 
Met verkleumde vingers stop ik een eindejaarsmailing in een tegenstribbelende brievenbus. Een zoetgevooisde flard van “It’s the most wonderfull time of the year” waait ergens achter me uit een auto. Het portier slaat dicht. Ik laat me er niet door afleiden. Hoe sneller ik klaar ben, des te eerder zit ik bij de kachel. 
‘Is het leuk om post te bezorgen op een dag als deze?’
Ik draai me om naar de dame die met een tas boodschappen uit de auto is gestapt en me vanuit haar comfortabele jas blakend van goede bedoelingen toelacht. 
De Post is mijn lust en mijn leven mevrouw, wat zeg ik, je kan me niet gelukkiger maken dan op zo’n grijze natte dag en de temperatuur rond het nulpunt heerlijk met verkleumde vingers metalen brievenbuskleppen te mogen openduwen, ik moet er niet aan denken dat ik dit ooit zal moeten missen… 
Echt? vraagt ze blij.
Maar zo gaat het niet. In werkelijkheid zeg ik, nee, grom ik: ‘Wat dacht je zelf’ – ik vergeet beleefd ‘u’ te zeggen – ‘of ga jij graag aan de wandel met dit weer?’  
‘Ik niet, maar ik ken iemand die dit heerlijk vindt…’ 
Verstokte rokers kennen ook altijd iemand die honderd is geworden terwijl hij tachtig sigaretten per dag rookte… Nee, dat zeg ik niet. Ik zeg niks. Ik knik slechts, mijn gevatte antwoorden onvindbaar in de poel van ellende die Postnl heet. 

Bij de kruising wacht ik even op een collega die me van rechts over de stoep nadert. Bert, totaal verregend – zo moet ik er ook uitzien – zwaait naar me. Hij is oud-tenniscoach, altijd positief, hij gaat vast mijn moraal opvijzelen. Nog even volhouden en dan ben je straks lekker moe en voldaan, of beter; hij vertelt een mop waarvan de clou verloren gaat omdat hij zelf stikt van het lachen. Bert leidt echter hoofdschuddend zijn fiets over de stoep en moppert: ‘Dit is geen doen, dit is geen doen.’
‘Nee,’ zeg ik, ‘dit is geen doen’. 
‘Dit is geen doen,’ zegt hij, ‘dit is geen doen, dit is geen doen.’ 
Ik zwaai ten afscheid want mijn voetgangerslicht springt op groen, en steek snel over. Als zelfs Bert op repeat gaat, is er echt een grens overschreden qua hoeveelheid werk. Het is ook om gek van te worden. Om het lekker ingewikkeld te maken heeft de helft van de wijken vandaag hun piek- en de andere helft hun daldag. Het zou in theorie het werk wat evenwichtiger verdelen mits je voor een piek- en een dalwijk bent ingeroosterd. In de praktijk werkt dit niet, de planning krijgt het simpelweg niet voor elkaar. Ik loop vandaag twee piekwijken en een dal, er zijn er ook met drie piekwijken in hun mik. Daar klagen we eindeloos over maar het heet efficiënt te zijn. Of had ik dat al gezegd? Net zoals Bert dreig ik op zo’n dag in eindeloos gemopper te vervallen. Mijn gedachtestroom wordt onderbroken omdat ik iemand op een bankje zie zitten. In de regen. Eddy? Hij zit weggedoken in zijn PostNL regenpak en hij heeft een hand op het handvat van zijn kar liggen. Eddy loopt deze wijk altijd. Eigenlijk is hij zanger, maar hij is zijn stem kwijt en heeft daarom het artiestenbestaan vroegtijdig moeten beëindigen. De postkar staat naast hem te wachten als een hond op zijn baasje. Snap ik. Hij heeft hem zelf aangeschaft zodat hij er altijd een heeft die het doet – er is een chronisch karrentekort – neemt hem zelfs mee naar huis. Het lijkt alsof hij ertegen zit te praten: Even geduld, baasje gaat zo weer verder… zoiets stel ik me voor. Ik stop voor zijn neus en hij kijkt naar me op. 
Lekker even van het zonnetje aan het genieten? Iets dergelijks zou ik normaal zeggen. Nu niet. Nu vraag ik: ‘Gaat het?’ 
‘Huh? Nee… gisteravond liep ik hier om zeven uur nog in het pikkedonker…’
‘Had je gisteren de piek?’
‘Huh?’
‘Veel post.’
‘Ja verschrikkelijk veel post.’ Hij staart dwars door me heen met glazige roodomrande ogen en stamelt: ‘Echt verschrikkelijk. Eddy, zeg ik tegen mezelf, Eddy, waar ben jij in ’s hemelsnaam mee bezig.’ 

Het is donker als ik even na vijven het verlaten depot binnenkom. Ik knipper tegen het licht van de Tl-buizen en ga direct door met het opruimwerk: lege binnentassen van labels ontdoen en in draadcontainers leggen, niet bestelde post stickeren en de goede weg ophelpen. Volgens de werk-app op mijn telefoon heb ik 6.34 gewerkt In plaats van de 4.26 waarvoor ik ben ingeroosterd – jaja, dat wordt tot op de minuut nauwkeurig voorspeld én uitbetaald – en ik voer mijn aanvraag voor extra tijd in. De doffe dreun van een postkar doet de deur vanaf de straat openzwenken. Ko duwt de kar naar binnen en blijft zelf in de deuropening hangen. Hij grijpt zich vast aan de deurpost. De kanariegele donsjas maakt hem nog breder dan-ie al is, de nattigheid druipt van zijn werkmanspet. 
‘Ko! Leef je nog?’ 
Hij hoest een zware oudemannenhoest, zegt dan: ‘Of ik nog leef? Dat wel ja, maar daar is dan ook alles mee gezegd.’
‘Nog een paar stappen, je bent bijna op het droge!’
‘Schei uit’ – hij maakt zich los uit de deuropening – ‘weet je wat mij overkwam? Ik bel aan met een pakje bij nummer 38, blijkt het voor nummer 36 te zijn. Ik zeg tegen de dame die opendeed, ik zeg “mevrouw, dit gaat te ver”. Vond zij ook. Ben ermee gekapt.’
‘Is dat het enige’, zeg ik, ’heb je je vergist in het huisnummer?’
Hij tuurt door zijn natte brillenglazen: ‘Kan het gewoon niet meer lezen.’
Ik tuur terug door mijn natte brillenglazen: ‘Bekend probleem. Als dat alles is…’ 
Ik laat een betekenisvolle stilte vallen, Ko staat in afwachting van wat gaat komen: ‘Nou?’
‘Ik ben mijn humor kwijt.’ 
‘Je humor kwijt?’
‘Ja. En niet eventjes… al vijf uur lang.’
‘Urenlang je humor kwijt…uitgerekend op een dag als vandaag… ja, dat is pas echt erg.’ 
En daar moeten we allebei heel hard om lachen. 

Ruimtereis

Mijn reis begint tijdens het koken. Terwijl ik uitjes snipper en knoflooktenen plet, overdenk ik de dag. Via schermutselingen met klanten, gehakketak met de teamleider op whatsapp, gezeik op de werkvloer en uitspraken van Ankie Broekers-Knol beland ik bij het gepoch van Jeff Bezos en Elon Musk en hun strapatsen buiten de dampkring. Allemaal ergernissen. Ze nemen me dusdanig in beslag dat ik alle voorbereidingen op de automatische piloot verricht. Na het snijwerk zet ik de pannen op het vuur. Water voor de pasta in de ene, olie in de andere voor de uitjes, vlammen hoog, en dan, ineens, zonder enige waarschuwing, valt mijn zicht weg. Het zweet breekt me uit, een heftige misselijkheid welt op. Ik leun op de rand van het fornuis, voel de hitte van de vlammen, zometeen val ik nog voorover in het vuur… weg hier! Ik stap opzij, hou me vast aan het aanrecht, nog een stap tot bij de gootsteen, grijp me vast aan de rand. Blijf roerloos staan. Geen idee wat boven, onder, voor, achter, links of rechts is. Niet dat ík rondtol, de ruimte om me heen is op hol geslagen – of is dat hetzelfde? – en die ruimte met alles erin wordt opgeslokt door een gigantisch Niets. Het Niets wervelt ook in mijn hoofd, mijn hoofd is nu het oneindige dus ik kan maar beter niet bewegen, als ik me beweeg versmelt alles met elkaar en ben ik niet meer begrensd…  hoewel… er moet nog iets zijn: ik sta op de grond onder mijn voeten en ik voel de gootsteenrand onder mijn handen. Maar als ik die loslaat, tuimel ik gegarandeerd het oneindige in zonder ruimtepak of enige verbinding met de aarde. Ik klem me vast, sta nog altijd rechtop in deze kosmos met het geluid van gasbranders… het fornuis is er nog! De pan met olie! Ineens is daar Lief, hij legt een hand op mijn rug, vraagt wat er is. Draait de vlammen uit, schuift een stoel bij. Eeuwen later durf ik te gaan zitten. Ik val niet in het luchtledige en ik ben ook niet opgelost. Heb nog gewoon een lichaam, een zitvlak en een rug die steun vinden op een stoel. Best een fijne gewaarwording. Je kunt beter zitten dan staan in de oneindige kosmos en aangezien dat goed gaat, is er zwaartekracht en ben ik dus terug op aarde. Ik heb geen idee hoelang ik weg ben geweest. Nog geen minuut volgens Lief. Hij is gewoon op aarde gebleven, hij kan het weten. 

foto Allard Boterenbrood

De volgende dag is er iets vreemds aan de hand. Alsof ik een nacht hebt doorgehaald met veel drank en drugs. Ik ben niet brak, de bijbehorende hoofdpijn ontbreekt, maar iets klopt er niet. Pas als ik naar buiten ga, besef ik de reikwijdte. Ik stap via de voordeur rechtstreeks een bergrug op. Voor me strekt zich een oogverblindende wereld uit zonder ijkpunt, vergelijkbaar met een witte kom tussen rotspunten waarvan de diepte onmogelijk is in te schatten en waarvan een zuigende werking uitgaat. Hoogtevrees. Vertigo. Hitchcock in mijn eigen straat. Ik leun tegen de deurpost, kijk om me heen om te wennen. De omgeving is uitgedijd, de huizen aan de overkant lijken onbereikbaar. Verhoudingen kloppen niet. De zon schijnt onverdraaglijk fel, geluid is overstuurd en galmt samengebald door de straat. Ik haal mijn fiets niet van het slot. Ik durf niet. 

Na grondig onderzoek en onvermijdelijk ziekenhuisbezoek zegt de dokter dat de wereld weer normaal wordt maar dat het even gaat duren. Ik moet rustig de tijd nemen om te herstellen van de vermoeienissen van mijn spacetrip. En als ik me ergens zorgen over maak, moet ik bellen. Zorgen? Hoezo? Als iedereen me verzekert dat deze toestand tijdelijk is, hoef ik me toch geen zorgen te maken? Ik heb een nieuwe vriend, genaamd Zorgeloos. ‘Komt goed’, zegt hij.  

Het computerscherm is te fel. Geeft niet, schrijf ik toch met de hand. Een tijdje geen internet is bovendien lekker rustig. Fietsen durf ik niet. Ga ik toch lopen. De supermarkt is een kermis met misselijkmakende lichtjes, luchtjes en desoriënterende kleuren. Doet Lief toch de boodschappen. Voor alles is een oplossing. Zelfs de blokkade van de toegang tot triviale weetjes baart me geen zorgen. Bij kennisquizzen op TV wist ik namelijk altijd de antwoorden op de meest idiote vragen. De uitvinder van de Haarlemmerolie*? Wat of wie is St. Kitts and Nevis**? Nu kom ik mijn database niet in. Het verbaast me, ik moet er een beetje om lachen.

Astronauten beweren dat de ruimtereis hun leven voorgoed heeft veranderd, zich voor altijd bewust van de kwetsbaarheid van de aarde, de nietigheid van de mens. Ze hebben gezien hoe klein onze planeet is in dat onmetelijke universum. Helaas had ik geen zicht tijdens mijn onaangekondigde reis. De andere effecten ervan zijn geleidelijk vervaagd. Na een tijdje is vriend Zorgeloos vertrokken om plaats te maken voor een soortgelijk besef van kwetsbaarheid als dat van de astronauten. Soms mis ik hem. 

(quiz-antwoorden: *Claes Tilly en **eilandstaatje in Caraïbische Zee. Bij * keurt de jury Claes de Koning Tilly ook goed)