Goed voor de plantjes

Het is ouderwets Nederlands zomerweer, maar ik klaag niet. Ik sta niet op de camping, of bij een opgebroken kruispunt verkeer te regelen, belaagd door gestreste automobilisten. Hoogstens vis ik een hopeloos verzopen kledder papier uit mijn brievenbus. Ooit was dit een keurige envelop. Als dat het ergste is… Aangezien ik zelf geen post meer hoef te bezorgen, loop ik fluitend naar buiten en steek een paraplu op. 
De regen is veranderlijk. Zojuist was het miezer, nu gaat het hard. Voor je het weet komt er hagel zo groot als tennisballen naar beneden. Onder het viaduct staan wat mensen verspreid te wachten tot het mindert; de hangouderen die normaal het bankje even verderop confisqueren, staan zwijgend op een kluitje, blik bier in de hand. Een postbode fietst voorbij. 
‘Hé Sylvia,’ roep ik, ‘lekker hè, die zomerregen!’ 
Ze draait om, stapt af en we lopen naar elkaar toe. 
‘Ach… ik kan er tegen’, zegt ze, ‘maar de post…’ 
De kleppen van de fietstassen kieren langs de zijkant en vertonen scheuren, de posttas aan haar stuur is afgedekt met een binnentas. 
‘Mag ik wat vragen?’ Een vrouw met een boodschappentrolley ziet haar kans schoon: ‘Hoe hou je de post nou droog met dit weer?’
‘Niet,’ zegt Sylvia, en steekt haar shagje op. 
‘O,’ zegt de mevrouw teleurgesteld. ‘Ik dacht dat jullie daar een truc voor hadden… Mijn post was laatst zeiknat… vroeger gebeurde dat nooit!’
‘Wat vervelend voor u,’ zegt Sylvia meelevend alsof ze net een cursus Omgaan met klanten heeft afgerond. ‘U zou aan de bezorger kunnen vragen hoe het komt. Misschien zit uw adres boven op een stapel, dan vangt de post veel regen…’
De vrouw fronst, ze is niet overtuigd, maar ze laat het erbij.


‘Het zou een goede vraag zijn voor de website van Postnl ,‘ zeg ik, ‘onder veelgestelde vragen: ‘Hoe houdt de postbezorger de post droog als het regent?’’
Sylvia antwoordt: ‘Als het regent, wordt buiten alles nat, dus ook de post. Het is aan de postbezorger de post zo droog mogelijk te bezorgen.’
Ik vul aan: ‘En aangezien wij dit de postbezorger onmogelijk maken, is uw post natter dan ooit. We hebben namelijk wat veranderingen in de organisatie doorgevoerd…’ 
‘…waardoor ook de tv-gids niet komt!’ Sylvia rolt met haar ogen: ‘Dat durven ze gewoon te zeggen! En daarna gebeurt er niks!’
‘Ze gaan heus niet vertellen hoe het echt zit, zo van: ‘We hebben OLK uitgerold…’’
‘…Onze Lieve Kutzooi.’
Ik schiet in de lach. 
‘Weet jij waar het voor staat?’ 
‘Optimalisatie Logistieke Kutzooi.’
Nu moet zij lachen.  
‘Je zou denken dat ze na die klachten de boel bijstellen,’ zeg ik. ‘Of zichzelf juist op de borst slaan en de klachten overschreeuwen, dat kunnen ze ook heel goed. Hard roepen: ‘Onze geweldige postbezorgers zijn nu nóg beter! Ze bezórgen niet alleen de post, ze sorteren hem voortaan ook zelf, gewoon buiten, weer of geen weer…’‘
‘Ik doe het binnen, op het depot, en ik ben niet de enige…’
‘In het schap? Wat een gedoe…’
‘Uit drie tassen de boel bij elkaar zoeken onder het lopen, dat is pas gedoe… er is trouwens alweer een nieuwe.’
‘Nieuwe wat?’
‘Reorganisatie. Weet je hoe ze die noemen?’
‘Op naar het Einde?’
‘Bijna goed… Logisch Bezorgen.’
‘Jezus! We hebben dus altijd onlogisch bezorgd!’ 
‘Ja. Maar nu niet meer! Nieuwe routes met google maps in elkaar gezet’. 
‘Oei, ik vrees het ergste… sterkte.’
‘Dank je. Hoe is het met jou?’
‘Er is een bodemloos zwart gat…’  
‘Het is je aan te zien… ik moest es verder.’
‘Geniet ervan! Alleen jammer van die regen…’
‘Is goed voor de plantjes!’ 

Een keer stond collega postbezorger Reza op een dag als vandaag tegen de poort van het depot onder de overhang zijn shagje te roken. Mismoedig staarde hij naar de plas water die oprukte naar zijn nep-All Stars. 
‘Wel goed voor de plantjes,’ zei ik – een postbezorger heeft altijd een dooddoener paraat. 
‘Helaas ben ik geen plantje,’ zei hij.
Reza zal er nog wel werken, en nog een stel die-hards. Ik ben echter niet de eerste die uit onvrede is opgestapt. Nog een ideetje voor de FAQ op Postnl.nl: Waarom is er een personeelstekort bij Postnl? Een echte hersenkraker.

Karretjesvluchteling

Sinds een week of vier ben ik overgeplaatst naar mijn eigen buurt, sterker nog, ik bezorg de post in mijn eigen straat, inclusief buurtwinkels om de hoek. Ik heb daar gemengde gevoelens over. Anders dan ex-collega Victor Frölke is het niet uit schaamte over de lage status – in zijn Dagboek van een postbode* is schaamte een terugkerend thema – dat ik liever een andere wijk zou lopen. Ik schaam me niet voor mijn baantje. Mijn bezwaar heeft met privacy te maken, zowel van mezelf als van mijn buren. Allerlei sores, financieel, juridisch of anderszins, komen immers via de brievenbus. En als pakjes zoekraken, of geld uit enveloppen met verjaardagskaarten verdwijnt, is de postbezorger altijd de eerste verdachte. Al die andere handen in de keten van postverwerking zijn onzichtbaar. In deze straat ben ik niet langer anoniem. 
Uit ongemak stuntel ik met pakjes die van mijn arm stuiteren als bij een beginneling. Het voelt alsof vanuit de hogere etages aan de overkant bewoners elkaar aanstoten: ‘Moet je de overbuurvrouw zien klungelen! Zeker een nieuw baantje.’
Verder verandert er weinig. Ik schep nog altijd plezier in de rol van onpartijdige dienstverlener waardoor ik allerlei mensen buiten mijn sociale kring ontmoet. Ik struin elke winkel, louche kroeg, hippe ‘hub’ en toffe tent binnen en leer de buurt op een nieuwe manier kennen.

Mijn overplaatsing is een noodsprong van Marek, een nieuwe, ambitieuze leidinggevende, naar ik vermoed van Bosnische komaf, aan zijn taalbeheersing te horen in Nederland opgegroeid. Ik wed dat hij vaker bij de kapper zit dan een non in de kerk. Hij besproeit zichzelf kwistig met deodorant en aftershave zodat hij overal een prikkelend geurspoor achterlaat. Als ik bij binnenkomst op het depot waar ik tot voor kort mijn post ophaalde, moest niezen, wist ik wie ik net was misgelopen. 
Veel collega’s zijn blij met het vertrek van zijn voorganger, Bert de Rechtlijnige. Ik ben terughoudender. Met Bert viel te praten, ook al was de uitkomst niet altijd de gewenste. Bij deze Marek weet ik het nog niet. Hij bakt zoete broodjes met een aantal van mijn collega’s, maar of dat standhoudt? Eerst zien, dan geloven.
Een maand na zijn aantreden neemt collega Wietske, een leeftijdsgenoot met wie ik het goed kan vinden, per direct ontslag. Haar vlammende ontslagbrief eindigt met de mededeling dat ze ergens gaat werken waar ze wél gewaardeerd wordt. Opzegtermijn of niet, ze zet geen voet meer over de drempel en meldt zich ziek. De directe aanleiding is een meningsverschil over het werkrooster. Wietske wil haar contracturen werken en niet veel meer. Marek wuift haar bezwaar tegen het rooster weg met de woorden: ‘Als het je niet bevalt, neem je maar ontslag.’ Wat ze dus doet. 
Snel hierna komt Mareks oekaze met betrekking tot de postkarretjes: ze worden afgeschaft en wel per direct. Een storm van protest steekt op. Marek speelt de vermoorde onschuld en zet zijn Bambi-ogen op: ‘Ik kan er niets aan doen! Regels van hogerhand.’ 
Nu speelt de karretjesstrijd al vanaf mijn begindagen bij de Post. Er waren altijd te weinig karretjes en ze werden niet onderhouden. Korte tijd is er zelfs een karretjesverbod uitgevaardigd, met als gevolg dat de krantenjongens met wie wij destijds het depot deelden fluitend onze karretjes gebruikten, terwijl wij stonden te hannesen met zwaarbeladen fietsen. Het verbod werd vervolgens massaal genegeerd en verdween geruisloos. Kapotte karretjes werden door collega’s zelf gerepareerd. Bij gebrek aan onderdelen zijn we tegenwoordig creatief met plakband en elastiek. 

Een aantal collega’s mag nu een karretje blijven gebruiken om medische redenen (verklaring van bedrijfsarts vereist) of omdat ze een markt-of winkelstraat lopen. Ik doe ook een beroep op de bedrijfsarts. Het advies luidt: ‘Met het oog op duurzame inzetbaarheid van betrokkene adviseer ik het gebruik van de fiets tot een minimum te beperken.’ 
Voor Marek is dit niet voldoende. Hij verordonneert dat ik per direct alles op de fiets ga bezorgen. Ik weiger en beroep me op voornoemd advies. Tja. Meneer heeft moeite met mijn toon – ik zeg gewoon: ‘Dat doe ik niet’. Erg vreemd is dat hij me vervolgens ziekmeldt en na wat telefoontjes over en weer in een mail schrijft dat ik ‘feitelijk niet geschikt ben voor de functie van postbezorger’. Navraag leert dat ik de enige ben die zo’n mail heeft gekregen. Collega’s met een vergelijkbaar advies kunnen wel met een karretje blijven bezorgen. Ik vermoed, mede door Wietskes eerdere vertrek, dat heer Marek liever met mannen onder elkaar is.
Voordat de zaak verder kan escaleren met alle stress van dien, komt er een onverwachte oplossing: Joris, een teamleider die ik uit mijn begintijd bij de Post ken, heet me met het oog op de kerstdrukte welkom in zijn team in Oost. 
De ongewisse status van karretjesvluchteling is echter wel even wennen. Is er genoeg werk voor een extra bezorger? Mijn nieuwe collega’s voelen zich bedreigd. Kom ik hun werk afpakken op dit depot, een van de laatste waar karretjes nog gedoogd worden? 

Vooralsnog eindigt mijn werkdag in vertrouwde buurtwinkels. Bij kaasboer Eriks mogen pakjes voor de buren op de vensterbank. Bij slager Hassan maak ik een praatje over de filmploeg in het winkelpand naast hem: ‘Ze blijven twee weken! Heb je de catering gezien? Beveiliging, generator… wat dat kost!’ Met enige pathos heft hij zijn handen ten hemel.
Buiten banjer ik langs de afzetting van de filmploeg met daarachter zowaar een postkarretje dat ze legaal of illegaal hebben bemachtigd. Zij wel! 
Verder naar het eindpunt bij de Turkse buurtsuper. Verbazing alom. ‘Ik ben overgeplaatst,’ zeg ik. ‘Omdat ik niet met de fiets wil bezorgen.’ 
De eigenaar kijkt me met grote ogen aan. ‘Natuurlijk wil je niet op de fiets bezorgen! Postbodes hebben een kar! Koffie?’

* Dagboek van een postbode, 2016, uitgeverij Thomas Rap

Van een stoeltje en een bankje

Rond het middaguur sta ik enigszins verdwaasd en vooral verhit op het Scheldeplein. Mijn postkar is leeg, de eerste wijk van de dag zit erop. Ik heb hem slaapwandelend gelopen, herinner me er helemaal niets van. Zelfs mijn vaste ergernis, het stoeltje van nummer 35, heeft me niet wakker geschud. Misschien versperde het voor één keer niet de toegang tot de brievenbus. Of misschien heb ik de raad van Bram de krantenbezorger opgevolgd. Dat ga ik uitleggen.

In het voortuintje van nummer 35 staat een leuk terrassetje, twee bistrostoeltjes en een tafeltje, je kent dat wel. Nu hebben de mensen hier geen ruimtegebrek. Hun optrekje is iets bescheidener dan de kapitale villa’s aan de overkant maar valt nog altijd in de categorie miljoenenpand. Ze hebben een voortuintje van zo’n 20 vierkante meter. Soms staat er een fiets, verder is de betegelde buitenruimte vrij, op een zieltogend boompje na. Ongetwijfeld zitten ze graag buiten in hun royale achtertuin. Vóór het huis heb ik nooit iemand zien zitten. Dus waarom dat ene stoeltje uitgerekend voor de brievenbus moet staan zodat geen bezorger erbij kan, is me een raadsel. Ooit – ik was nog een groentje in de postbezorging – heb ik de vrouw des huizes gevraagd of het stoeltje niet een half metertje opzij kon. Ze zag het probleem niet. Sterker nog, de positie was perfect. Staand in de deuropening demonstreerde ze hoe je vandaaruit een brief tussen de spijltjes van de rugleuning kon doorschuiven. Mijn verbouwereerd tegensputteren wuifde ze hooghartig weg. Mevrouw bleek werkzaam in de advocatuur. Geen kruid tegen gewassen, zoals andere collega’s na mij hebben mogen ondervinden. Laatst heb ik het probleem voorgelegd aan mijn teamleider, een regeltjesneuker eersteklas, die meteen beloofde langs te gaan. Ik verkneukelde me bij de gedachte hoe hij citerend uit de postwet haar om de oren zou slaan met de regelgeving omtrent het totale brievenbusgebeuren. Helaas. ‘Schuif dat stoeltje maar opzij’, appte hij, ‘niks aan te doen’. Daarna heb ik nog één keer geprotesteerd, in stilte. Ik stond voor de deur en dacht ‘je kan de pot op’, draaide om en nam me voor alles retour te sturen wegens ‘geen brievenbus’, een aan te vinken hokje op de retoursticker. Kwam ze vlak daarna voorbijgefietst, gehuld in een witte mantel, en schonk ze me vanonder haar breedgerande witte hoed een stralende glimlach. Ze had geen minuut eerder moeten thuiskomen. Mijn opgekropte ergernis, haar zelfgenoegzaamheid en het stoeltje waren dé ingrediënten voor een explosieve cocktail. Eén vonkje en de gevolgen waren niet te overzien. Ik liet het zo, beantwoordde haar minzame groet met een keurig ‘Dag mevrouw.’ De voor haar bestemde brieven in mijn tas koesterde ik als een kleine, zoete wraak. 

Dezelfde dag kwam ik Bram tegen, krantenbezorger en ex-collega, die de middageditie rondbracht, en vertelde hem van mijn actie. Hij grinnikte erom. 
‘Bezorg jij daar ook?’ vroeg ik, ‘ik neem aan dat ze een krant hebben’.
‘Ja, de NRC.’
‘Erger jij je dan niet aan dat stoeltje?’ 
‘Nee… ik stoor me bijna nergens aan, anders heb ik geen leven. Het moet echt helemaal dichtgegroeid zijn met doornstruiken wil ik niet bezorgen. Ik denk er niet bij na, ik duw of trap het opzij, klaar.’
Hmm. Zat wat in. De volgende dag heb ik de achtergehouden post alsnog besteld. En vandaag heeft het stoeltje me niet eens uit mijn trance-achtige routine gehaald. 

Hier op het Scheldeplein lonkt ijskiosk Pisa. Meestal weersta ik de lokroep van lekkere ijsjes, maar vandaag is een perfect moment om eraan toe te geven. De Italiaanse verkoopster maakt liefdevol een heuveltje citroenijs op het aardbeien- en mango-ijs in het bekertje. De immer bezette betonnen bankjes in de schaduw zijn wonderwel vrij. Amsterdam is op vakantie of zoekt verkoeling bij het water. Slechts één vrouw zit op de kopse kant van een bankje in de zon aan haar hoorntje te likken, haar rug naar de overige drie ijseters. Een man en zijn zoontje staan naast een bakfiets in de schaduw, ze lepelen net zoals ik ijs uit een bekertje. In de bak zit het dochtertje aan haar ijsje te likken. Ik vermoed dat ze bij elkaar horen. Het uiterlijk van alle vier is onberispelijk, de kleding on-Amsterdams keurig en verzorgd, gladgestreken, en mooi van snit. Het zouden Duitsers kunnen zijn, die kunnen er zo smetteloos uitzien, of Noren, die zijn een soort van overtreffende trap frisgewassen. Deze vier hebben een donkere huid; waarschijnlijk toch geen Duitsers of Noren. Nee, verbeter ik mezelf, dat weet je niet. Expats? Misschien gaan ze naar een feestje… Maar de bakfiets… een bakfiets is typisch Nederlands. De opstelling is wat ongezellig, mamma met de rug naar man en kinderen, maar ik merk niets van een negatieve lading of bedrukte sfeer. 
De betonnen bankjes zijn gevlekt alsof ze nat zijn, compleet met donkere druipsporen langszij en glimmende plekken in het midden, waar het email of de kunststof, of wat het ook mag zijn, dikker is. Het is net echt. Ik ga zitten en neem een hapje van het overheerlijke ijs. Dan pas dringt het tot me door, in letterlijke zin ook, dwars door mijn broek tot mijn zitvlak. Met een kreet spring ik op. De man doet verschrikt: ‘Oh!’ 
De vrouw kijkt om, zegt verontwaardigd: ‘Erg hè! Allemaal nat!’ 
‘Gelukkig is het warm’, zeg ik grinnikend, ‘het is zo weer droog’.  
Dat ze niet om mijn onhandigheid lachen is vreemd. Kreukvrij en geen humor… ik geef het op. 
Ik vind een kleine, droge plek om te zitten en rustig mijn ijsje te eten. Mijn gedachten dwalen over het gebeurde en ik schiet opnieuw in de lach. Best een leuk idee voor de openbare ruimte: nep-natte bankjes!