Categoriearchief: algemeen

Ruimtereis

Mijn reis begint tijdens het koken. Terwijl ik uitjes snipper en knoflooktenen plet, overdenk ik de dag. Via schermutselingen met klanten, gehakketak met de teamleider op whatsapp, gezeik op de werkvloer en uitspraken van Ankie Broekers-Knol beland ik bij het gepoch van Jeff Bezos en Elon Musk en hun strapatsen buiten de dampkring. Allemaal ergernissen. Ze nemen me dusdanig in beslag dat ik alle voorbereidingen op de automatische piloot verricht. Na het snijwerk zet ik de pannen op het vuur. Water voor de pasta in de ene, olie in de andere voor de uitjes, vlammen hoog, en dan, ineens, zonder enige waarschuwing, valt mijn zicht weg. Het zweet breekt me uit, een heftige misselijkheid welt op. Ik leun op de rand van het fornuis, voel de hitte van de vlammen, zometeen val ik nog voorover in het vuur… weg hier! Ik stap opzij, hou me vast aan het aanrecht, nog een stap tot bij de gootsteen, grijp me vast aan de rand. Blijf roerloos staan. Geen idee wat boven, onder, voor, achter, links of rechts is. Niet dat ík rondtol, de ruimte om me heen is op hol geslagen – of is dat hetzelfde? – en die ruimte met alles erin wordt opgeslokt door een gigantisch Niets. Het Niets wervelt ook in mijn hoofd, mijn hoofd is nu het oneindige dus ik kan maar beter niet bewegen, als ik me beweeg versmelt alles met elkaar en ben ik niet meer begrensd…  hoewel… er moet nog iets zijn: ik sta op de grond onder mijn voeten en ik voel de gootsteenrand onder mijn handen. Maar als ik die loslaat, tuimel ik gegarandeerd het oneindige in zonder ruimtepak of enige verbinding met de aarde. Ik klem me vast, sta nog altijd rechtop in deze kosmos met het geluid van gasbranders… het fornuis is er nog! De pan met olie! Ineens is daar Lief, hij legt een hand op mijn rug, vraagt wat er is. Draait de vlammen uit, schuift een stoel bij. Eeuwen later durf ik te gaan zitten. Ik val niet in het luchtledige en ik ben ook niet opgelost. Heb nog gewoon een lichaam, een zitvlak en een rug die steun vinden op een stoel. Best een fijne gewaarwording. Je kunt beter zitten dan staan in de oneindige kosmos en aangezien dat goed gaat, is er zwaartekracht en ben ik dus terug op aarde. Ik heb geen idee hoelang ik weg ben geweest. Nog geen minuut volgens Lief. Hij is gewoon op aarde gebleven, hij kan het weten. 

foto Allard Boterenbrood

De volgende dag is er iets vreemds aan de hand. Alsof ik een nacht hebt doorgehaald met veel drank en drugs. Ik ben niet brak, de bijbehorende hoofdpijn ontbreekt, maar iets klopt er niet. Pas als ik naar buiten ga, besef ik de reikwijdte. Ik stap via de voordeur rechtstreeks een bergrug op. Voor me strekt zich een oogverblindende wereld uit zonder ijkpunt, vergelijkbaar met een witte kom tussen rotspunten waarvan de diepte onmogelijk is in te schatten en waarvan een zuigende werking uitgaat. Hoogtevrees. Vertigo. Hitchcock in mijn eigen straat. Ik leun tegen de deurpost, kijk om me heen om te wennen. De omgeving is uitgedijd, de huizen aan de overkant lijken onbereikbaar. Verhoudingen kloppen niet. De zon schijnt onverdraaglijk fel, geluid is overstuurd en galmt samengebald door de straat. Ik haal mijn fiets niet van het slot. Ik durf niet. 

Na grondig onderzoek en onvermijdelijk ziekenhuisbezoek zegt de dokter dat de wereld weer normaal wordt maar dat het even gaat duren. Ik moet rustig de tijd nemen om te herstellen van de vermoeienissen van mijn spacetrip. En als ik me ergens zorgen over maak, moet ik bellen. Zorgen? Hoezo? Als iedereen me verzekert dat deze toestand tijdelijk is, hoef ik me toch geen zorgen te maken? Ik heb een nieuwe vriend, genaamd Zorgeloos. ‘Komt goed’, zegt hij.  

Het computerscherm is te fel. Geeft niet, schrijf ik toch met de hand. Een tijdje geen internet is bovendien lekker rustig. Fietsen durf ik niet. Ga ik toch lopen. De supermarkt is een kermis met misselijkmakende lichtjes, luchtjes en desoriënterende kleuren. Doet Lief toch de boodschappen. Voor alles is een oplossing. Zelfs de blokkade van de toegang tot triviale weetjes baart me geen zorgen. Bij kennisquizzen op TV wist ik namelijk altijd de antwoorden op de meest idiote vragen. De uitvinder van de Haarlemmerolie*? Wat of wie is St. Kitts and Nevis**? Nu kom ik mijn database niet in. Het verbaast me, ik moet er een beetje om lachen.

Astronauten beweren dat de ruimtereis hun leven voorgoed heeft veranderd, zich voor altijd bewust van de kwetsbaarheid van de aarde, de nietigheid van de mens. Ze hebben gezien hoe klein onze planeet is in dat onmetelijke universum. Helaas had ik geen zicht tijdens mijn onaangekondigde reis. De andere effecten ervan zijn geleidelijk vervaagd. Na een tijdje is vriend Zorgeloos vertrokken om plaats te maken voor een soortgelijk besef van kwetsbaarheid als dat van de astronauten. Soms mis ik hem. 

(quiz-antwoorden: *Claes Tilly en **eilandstaatje in Caraïbische Zee. Bij * keurt de jury Claes de Koning Tilly ook goed)

Julius

Het droevige nieuws kwam in etappes. Eerst was er een kort krantenbericht (Het Parool, 7 oktober) over een verdronken man in het water van de Oranje-Vrijstaatkade, hier vlakbij. De volgende dag volgden necrologieën in alle kranten. De drenkeling was Julius Vischjager, 83 jaar. Journalist, pianist, levenskunstenaar. Ik heb hem een paar keer ontmoet. En bij het opzetten van beslommeringen.org, speelde hij een kleine maar onmisbare rol. 
Dat zit zo. 
Ergens eind jaren negentig belandden wij, mijn lief en ik, op een zaterdagmiddag in café Eik en Linde. We bemachtigden een tafeltje bij het raam, op enkele meters van de piano. We zaten nog niet of de deur ging open. Er kwam een heer binnen in pak, in elke hand een plastic tas. Hij groette de barman en begaf zich naar de piano. Uit een van de tassen kwam een partituur tevoorschijn die hij op de piano opensloeg. Zijn jasje ging uit, zijn ruime witte overhemd bolde op aan weerszijden van de bretels en boven de mouwophouders. Mijn lief en ik keken elkaar aan. Dat was Julius Vischjager! We hadden hem enkele keren eerder ’s avonds ontmoet als we uitgingen. Hij droeg dan een morsige regenjas en een fototoestel rond de nek. De eerste keer dacht ik dat hij een foto wilde verkopen en probeerde hem af te wimpelen. Dat lukte niet en al snel bleek mijn vergissing. Het betrof hier niemand minder dan de hoofdredacteur en enig medewerker van The Daily Invisible. We kochten ons eerste exemplaar van ‘de enige handgeschreven parlementaire krant ter wereld’ en kregen er, voor de geringe meerprijs van een gulden, een Groene Amsterdammer bij van de week ervoor. Bij volgende gelegenheden begroetten we hem hartelijk. Hij signeerde een nieuwe Daily Invisible voor ons, gaf hem zelfs het speciale GfSinF-predikaat. ‘Weten jullie wat dat betekent?’ vroeg hij. ‘Good for Sotheby’s in the Future. Let op mijn woorden, dit wordt geld waard!’

Uitsnede voorpagina van The Daily Invisible, 17/7/99

Terug naar Eik en Linde. De barman bracht hem een kop koffie. Julius nam de aanwezigen in zich op terwijl hij op zijn gemak de koffie opdronk. Vervolgens richtte zijn aandacht op de partituur en begon te spelen. Ik heb geen verstand van klassiek, geen idee wat hij speelde, maar het sprankelde.  Voor even was het café een concertzaal en we staakten ons gesprek, je praat nu eenmaal niet door muziek heen, zeker niet als de speler zo dichtbij zit. De heer op leeftijd die tussentijds binnenkwam, vroeg gepast fluisterend of hij bij ons aan mocht schuiven. Na afloop van het concert stelde hij zich voor, zijn naam ben ik helaas vergeten. Hij werkte in het Verzetsmuseum even verderop en kwam hier op zaterdag altijd een borrel drinken met zijn goede vriend de pianist, Julius Vischjager. Die had met een buiging het applaus in ontvangst genomen. Hij liet nog even op zich wachten omdat hij soepel in zijn andere rol was geschoten. In de hoedanigheid van distributeur van The Daily Invisible ging hij langs de tafeltjes. Zijn rondgang eindigde bij zijn goede vriend bij ons aan tafel, en we raakten aan de praat. Hij had het duidelijk naar zijn zin, zat naast me met blosjes op zijn wangen en twinkelende ogen, een borrel op tafel. We vroegen hem hoe hij het voor elkaar kreeg. Het leek ons een behoorlijke klus om een eigen krant te runnen en daarmee bekendheid te verwerven. Daar wilde hij wel wat over vertellen. Je moest altijd je eigen overtuiging volgen, ook, nee, vooral als niemand er iets van begreep. Dan zat je goed, dan had je iets bijzonders te pakken. Zijn Daily Invisible bijvoorbeeld was uniek in de wereld. De krant gaf hem toegang tot het centrum van de macht en dat niet alleen. Hij had het privilege van de laatste vraag bij de wekelijkse persconferentie van de minister-president in Den Haag. Daarnaast had je, behalve een rotsvast geloof in je eigen idee, discipline nodig. Je moest volhouden, elke dag, en nooit opgeven. Het allerbelangrijkste, waar het allemaal mee begon, was de juiste naam. Wij knikten. En niet alleen vanwege The Daily Invisible. Julius Vischjager was en is ontegenzeggelijk een goede naam voor een creatief ondernemer. Een naam die beklijft. 
‘Vooruit,’ zei hij, ‘ik ga jullie op weg helpen. Eerst de naam.’
‘Mijn naam? Jantje Janssen,’ zei ik, ‘Jantje Janssen met twee essen.’ 
‘Prachtig,’ vond Julius, en sloeg zich op de knieën van pret. ‘Waarmee wil je je brood verdienen? Schrijven? Kan niet mis, de eerste slag heb je binnen. Gewoon veel doen, met zo’n naam kan succes niet uitblijven.’ 
Nu was de beurt aan mijn lief. Hij gaf zijn echte naam. Een naam die naar verluid, ooit bij aankomst in Suriname de douane-beambte, die vanwege haar omvang ternauwernood in haar houten behuizing paste, in zulk onbedaarlijk lachen deed uitbarsten dat het gammele hokje aan de kracht van haar schuddende lichaam dreigde te bezwijken. 
Julius maakte het minder bont. Hij viel alleen zowat van zijn stoel. Hij herhaalde de naam, liet even een stilte vallen, riep toen uit: ‘Echt waar?!  Een gebóren kunstenaar! Met zo’n naam hoef je helemaal niks meer te doen. Je hoeft alleen maar te zeggen hoe je heet en je wordt op het schild gehesen!’
Daar hebben we nog een glas op gedronken, waarschijnlijk een paar meer. Vol vertrouwen in de toekomst zijn we die avond naar huis gezwalkt. 

Uitsnede van TheDaily Invisible 17/7/99. Links onder de roestvlek gaat GfSinF gedeeltelijk schuil. De datering rechts doet vermoeden dat we dit exemplaar later bij hem hebben gekocht.

Mijn lief vond het predikaat GfSinF geniaal, vooral omdat het niet helemaal klopte – eigenzinnig als zijn bedenker – en heeft er een stempel van gemaakt, vandaar dat ik het na al die jaren nog weet. Helaas onvindbaar. Dat lot blijft twee van de destijds verworven Daily Invisible’s bespaard, eentje zelfs met predikaat; het betreft het laatste nummer van de eeuw, gedateerd 17/12/99, en nummer 250 van 7/4/2000, beide zeer begerenswaardig. Alleen zijn de roestvlekken van het oude dagboekslotje waaronder ze in een schoenendoos lagen erg ontsierend, die maken de gang naar Sotheby’s op voorhand kansloos. Verder vond ik een oude Groene Amsterdammer, met rode stift door Julius rondom volgeschreven, gesigneerd en gedateerd. Eik en Linde 2/11/96.

Hoe dan ook, bij het begin van beslommeringen.org, eerder dit jaar, zat hij even naast me. Vanwege het allerbelangrijkste. De juiste naam. Eén voor de website, en een nieuw pseudoniem voor de hoofdredacteur en enig medewerker. 
‘Prachtig!’ riep hij, en sloeg zich op de knieën: ‘Succes verzekerd!’
Dankjewel Julius. 

Groene Amsterdammer als bijlage bij The Daily Invisible voor 1 (gulden)