Sinds een week of vier ben ik overgeplaatst naar mijn eigen buurt, sterker nog, ik bezorg de post in mijn eigen straat, inclusief buurtwinkels om de hoek. Ik heb daar gemengde gevoelens over. Anders dan ex-collega Victor Frölke is het niet uit schaamte over de lage status – in zijn Dagboek van een postbode* is schaamte een terugkerend thema – dat ik liever een andere wijk zou lopen. Ik schaam me niet voor mijn baantje. Mijn bezwaar heeft met privacy te maken, zowel van mezelf als van mijn buren. Allerlei sores, financieel, juridisch of anderszins, komen immers via de brievenbus. En als pakjes zoekraken, of geld uit enveloppen met verjaardagskaarten verdwijnt, is de postbezorger altijd de eerste verdachte. Al die andere handen in de keten van postverwerking zijn onzichtbaar. In deze straat ben ik niet langer anoniem.
Uit ongemak stuntel ik met pakjes die van mijn arm stuiteren als bij een beginneling. Het voelt alsof vanuit de hogere etages aan de overkant bewoners elkaar aanstoten: ‘Moet je de overbuurvrouw zien klungelen! Zeker een nieuw baantje.’
Verder verandert er weinig. Ik schep nog altijd plezier in de rol van onpartijdige dienstverlener waardoor ik allerlei mensen buiten mijn sociale kring ontmoet. Ik struin elke winkel, louche kroeg, hippe ‘hub’ en toffe tent binnen en leer de buurt op een nieuwe manier kennen.
Mijn overplaatsing is een noodsprong van Marek, een nieuwe, ambitieuze leidinggevende, naar ik vermoed van Bosnische komaf, aan zijn taalbeheersing te horen in Nederland opgegroeid. Ik wed dat hij vaker bij de kapper zit dan een non in de kerk. Hij besproeit zichzelf kwistig met deodorant en aftershave zodat hij overal een prikkelend geurspoor achterlaat. Als ik bij binnenkomst op het depot waar ik tot voor kort mijn post ophaalde, moest niezen, wist ik wie ik net was misgelopen.
Veel collega’s zijn blij met het vertrek van zijn voorganger, Bert de Rechtlijnige. Ik ben terughoudender. Met Bert viel te praten, ook al was de uitkomst niet altijd de gewenste. Bij deze Marek weet ik het nog niet. Hij bakt zoete broodjes met een aantal van mijn collega’s, maar of dat standhoudt? Eerst zien, dan geloven.
Een maand na zijn aantreden neemt collega Wietske, een leeftijdsgenoot met wie ik het goed kan vinden, per direct ontslag. Haar vlammende ontslagbrief eindigt met de mededeling dat ze ergens gaat werken waar ze wél gewaardeerd wordt. Opzegtermijn of niet, ze zet geen voet meer over de drempel en meldt zich ziek. De directe aanleiding is een meningsverschil over het werkrooster. Wietske wil haar contracturen werken en niet veel meer. Marek wuift haar bezwaar tegen het rooster weg met de woorden: ‘Als het je niet bevalt, neem je maar ontslag.’ Wat ze dus doet.
Snel hierna komt Mareks oekaze met betrekking tot de postkarretjes: ze worden afgeschaft en wel per direct. Een storm van protest steekt op. Marek speelt de vermoorde onschuld en zet zijn Bambi-ogen op: ‘Ik kan er niets aan doen! Regels van hogerhand.’
Nu speelt de karretjesstrijd al vanaf mijn begindagen bij de Post. Er waren altijd te weinig karretjes en ze werden niet onderhouden. Korte tijd is er zelfs een karretjesverbod uitgevaardigd, met als gevolg dat de krantenjongens met wie wij destijds het depot deelden fluitend onze karretjes gebruikten, terwijl wij stonden te hannesen met zwaarbeladen fietsen. Het verbod werd vervolgens massaal genegeerd en verdween geruisloos. Kapotte karretjes werden door collega’s zelf gerepareerd. Bij gebrek aan onderdelen zijn we tegenwoordig creatief met plakband en elastiek.

Een aantal collega’s mag nu een karretje blijven gebruiken om medische redenen (verklaring van bedrijfsarts vereist) of omdat ze een markt-of winkelstraat lopen. Ik doe ook een beroep op de bedrijfsarts. Het advies luidt: ‘Met het oog op duurzame inzetbaarheid van betrokkene adviseer ik het gebruik van de fiets tot een minimum te beperken.’
Voor Marek is dit niet voldoende. Hij verordonneert dat ik per direct alles op de fiets ga bezorgen. Ik weiger en beroep me op voornoemd advies. Tja. Meneer heeft moeite met mijn toon – ik zeg gewoon: ‘Dat doe ik niet’. Erg vreemd is dat hij me vervolgens ziekmeldt en na wat telefoontjes over en weer in een mail schrijft dat ik ‘feitelijk niet geschikt ben voor de functie van postbezorger’. Navraag leert dat ik de enige ben die zo’n mail heeft gekregen. Collega’s met een vergelijkbaar advies kunnen wel met een karretje blijven bezorgen. Ik vermoed, mede door Wietskes eerdere vertrek, dat heer Marek liever met mannen onder elkaar is.
Voordat de zaak verder kan escaleren met alle stress van dien, komt er een onverwachte oplossing: Joris, een teamleider die ik uit mijn begintijd bij de Post ken, heet me met het oog op de kerstdrukte welkom in zijn team in Oost.
De ongewisse status van karretjesvluchteling is echter wel even wennen. Is er genoeg werk voor een extra bezorger? Mijn nieuwe collega’s voelen zich bedreigd. Kom ik hun werk afpakken op dit depot, een van de laatste waar karretjes nog gedoogd worden?
Vooralsnog eindigt mijn werkdag in vertrouwde buurtwinkels. Bij kaasboer Eriks mogen pakjes voor de buren op de vensterbank. Bij slager Hassan maak ik een praatje over de filmploeg in het winkelpand naast hem: ‘Ze blijven twee weken! Heb je de catering gezien? Beveiliging, generator… wat dat kost!’ Met enige pathos heft hij zijn handen ten hemel.
Buiten banjer ik langs de afzetting van de filmploeg met daarachter zowaar een postkarretje dat ze legaal of illegaal hebben bemachtigd. Zij wel!
Verder naar het eindpunt bij de Turkse buurtsuper. Verbazing alom. ‘Ik ben overgeplaatst,’ zeg ik. ‘Omdat ik niet met de fiets wil bezorgen.’
De eigenaar kijkt me met grote ogen aan. ‘Natuurlijk wil je niet op de fiets bezorgen! Postbodes hebben een kar! Koffie?’
* Dagboek van een postbode, 2016, uitgeverij Thomas Rap