In het typisch Nederlandse decemberweer dat pensionado’s naar de zon doet vluchten, sjouw ik me ongans aan de eindejaarspost. Black Friday, Sinterklaas, Kerst, en corona veroorzaken een zondvloed van pakjes. Bedrijven versturen hun jaaroverzichten in grote enveloppen, loterijen werven leden en platformbedrijven – vraatzuchtig als sprinkhanen massaal neergestreken – vechten via mailings om marktaandeel. Dubbeldikke tijdschriften blikken terug, reisgidsen immer hoopvol vooruit. Ik kijk niet verder dan de volgende brievenbus. Op een piekdag als vandaag krijg ik de post niet eens in een keer op mijn kar geladen. De wetenschap dat er morgen bijna geen post zal zijn, een daldag met een paar bundeltjes urgente post, maakt het allemaal nog erger. Dit afzien is niet alleen onnodig, het is door mijn werkgever georkestreerd. Het dient louter het streven naar maximale winst waarvan alleen de aandeelhouder profiteert. En de bonusopstrijkende manager, die ook. Niet de klant. Niet de collega op het sorteercentrum. En de bezorger al helemaal niet.
Met verkleumde vingers stop ik een eindejaarsmailing in een tegenstribbelende brievenbus. Een zoetgevooisde flard van “It’s the most wonderfull time of the year” waait ergens achter me uit een auto. Het portier slaat dicht. Ik laat me er niet door afleiden. Hoe sneller ik klaar ben, des te eerder zit ik bij de kachel.
‘Is het leuk om post te bezorgen op een dag als deze?’
Ik draai me om naar de dame die met een tas boodschappen uit de auto is gestapt en me vanuit haar comfortabele jas blakend van goede bedoelingen toelacht.
De Post is mijn lust en mijn leven mevrouw, wat zeg ik, je kan me niet gelukkiger maken dan op zo’n grijze natte dag en de temperatuur rond het nulpunt heerlijk met verkleumde vingers metalen brievenbuskleppen te mogen openduwen, ik moet er niet aan denken dat ik dit ooit zal moeten missen…
Echt? vraagt ze blij.
Maar zo gaat het niet. In werkelijkheid zeg ik, nee, grom ik: ‘Wat dacht je zelf’ – ik vergeet beleefd ‘u’ te zeggen – ‘of ga jij graag aan de wandel met dit weer?’
‘Ik niet, maar ik ken iemand die dit heerlijk vindt…’
Verstokte rokers kennen ook altijd iemand die honderd is geworden terwijl hij tachtig sigaretten per dag rookte… Nee, dat zeg ik niet. Ik zeg niks. Ik knik slechts, mijn gevatte antwoorden onvindbaar in de poel van ellende die Postnl heet.

Bij de kruising wacht ik even op een collega die me van rechts over de stoep nadert. Bert, totaal verregend – zo moet ik er ook uitzien – zwaait naar me. Hij is oud-tenniscoach, altijd positief, hij gaat vast mijn moraal opvijzelen. Nog even volhouden en dan ben je straks lekker moe en voldaan, of beter; hij vertelt een mop waarvan de clou verloren gaat omdat hij zelf stikt van het lachen. Bert leidt echter hoofdschuddend zijn fiets over de stoep en moppert: ‘Dit is geen doen, dit is geen doen.’
‘Nee,’ zeg ik, ‘dit is geen doen’.
‘Dit is geen doen,’ zegt hij, ‘dit is geen doen, dit is geen doen.’
Ik zwaai ten afscheid want mijn voetgangerslicht springt op groen, en steek snel over. Als zelfs Bert op repeat gaat, is er echt een grens overschreden qua hoeveelheid werk. Het is ook om gek van te worden. Om het lekker ingewikkeld te maken heeft de helft van de wijken vandaag hun piek- en de andere helft hun daldag. Het zou in theorie het werk wat evenwichtiger verdelen mits je voor een piek- en een dalwijk bent ingeroosterd. In de praktijk werkt dit niet, de planning krijgt het simpelweg niet voor elkaar. Ik loop vandaag twee piekwijken en een dal, er zijn er ook met drie piekwijken in hun mik. Daar klagen we eindeloos over maar het heet efficiënt te zijn. Of had ik dat al gezegd? Net zoals Bert dreig ik op zo’n dag in eindeloos gemopper te vervallen. Mijn gedachtestroom wordt onderbroken omdat ik iemand op een bankje zie zitten. In de regen. Eddy? Hij zit weggedoken in zijn PostNL regenpak en hij heeft een hand op het handvat van zijn kar liggen. Eddy loopt deze wijk altijd. Eigenlijk is hij zanger, maar hij is zijn stem kwijt en heeft daarom het artiestenbestaan vroegtijdig moeten beëindigen. De postkar staat naast hem te wachten als een hond op zijn baasje. Snap ik. Hij heeft hem zelf aangeschaft zodat hij er altijd een heeft die het doet – er is een chronisch karrentekort – neemt hem zelfs mee naar huis. Het lijkt alsof hij ertegen zit te praten: Even geduld, baasje gaat zo weer verder… zoiets stel ik me voor. Ik stop voor zijn neus en hij kijkt naar me op.
Lekker even van het zonnetje aan het genieten? Iets dergelijks zou ik normaal zeggen. Nu niet. Nu vraag ik: ‘Gaat het?’
‘Huh? Nee… gisteravond liep ik hier om zeven uur nog in het pikkedonker…’
‘Had je gisteren de piek?’
‘Huh?’
‘Veel post.’
‘Ja verschrikkelijk veel post.’ Hij staart dwars door me heen met glazige roodomrande ogen en stamelt: ‘Echt verschrikkelijk. Eddy, zeg ik tegen mezelf, Eddy, waar ben jij in ’s hemelsnaam mee bezig.’
Het is donker als ik even na vijven het verlaten depot binnenkom. Ik knipper tegen het licht van de Tl-buizen en ga direct door met het opruimwerk: lege binnentassen van labels ontdoen en in draadcontainers leggen, niet bestelde post stickeren en de goede weg ophelpen. Volgens de werk-app op mijn telefoon heb ik 6.34 gewerkt In plaats van de 4.26 waarvoor ik ben ingeroosterd – jaja, dat wordt tot op de minuut nauwkeurig voorspeld én uitbetaald – en ik voer mijn aanvraag voor extra tijd in. De doffe dreun van een postkar doet de deur vanaf de straat openzwenken. Ko duwt de kar naar binnen en blijft zelf in de deuropening hangen. Hij grijpt zich vast aan de deurpost. De kanariegele donsjas maakt hem nog breder dan-ie al is, de nattigheid druipt van zijn werkmanspet.
‘Ko! Leef je nog?’
Hij hoest een zware oudemannenhoest, zegt dan: ‘Of ik nog leef? Dat wel ja, maar daar is dan ook alles mee gezegd.’
‘Nog een paar stappen, je bent bijna op het droge!’
‘Schei uit’ – hij maakt zich los uit de deuropening – ‘weet je wat mij overkwam? Ik bel aan met een pakje bij nummer 38, blijkt het voor nummer 36 te zijn. Ik zeg tegen de dame die opendeed, ik zeg “mevrouw, dit gaat te ver”. Vond zij ook. Ben ermee gekapt.’
‘Is dat het enige’, zeg ik, ’heb je je vergist in het huisnummer?’
Hij tuurt door zijn natte brillenglazen: ‘Kan het gewoon niet meer lezen.’
Ik tuur terug door mijn natte brillenglazen: ‘Bekend probleem. Als dat alles is…’
Ik laat een betekenisvolle stilte vallen, Ko staat in afwachting van wat gaat komen: ‘Nou?’
‘Ik ben mijn humor kwijt.’
‘Je humor kwijt?’
‘Ja. En niet eventjes… al vijf uur lang.’
‘Urenlang je humor kwijt…uitgerekend op een dag als vandaag… ja, dat is pas echt erg.’
En daar moeten we allebei heel hard om lachen.