Na een vrieskoude nacht strekt de ijsvloer zich behaaglijk uit in de zon, glimmend van voorpret vanwege mijn aanstaande oversteek, zometeen, als ik klaar ben met de post voor het appartementencomplex. De werk-app maakt gewag van gevallen mannen.
‘Zijn er geen gevallen vrouwen?’ informeert een collega gevat.
IJspret bij de Post. We fietsen zwaar bepakt over smalle sporen, duwen of trekken de kar door hopen sneeuw, schuifelen voort, maken lange dagen. Mensen bestellen online dat het een lieve lust is en wij bezorgen het kleine spul.
Voorovergebogen verzamel ik de pakjes van webwinkels in mijn tas, kom met een stapel op de arm overeind en kijk recht in de wijd opengesperde ogen van een maaltijdbezorger. In limoengroen pak staat hij een paar meter bij me vandaan op het ijs, gestrand in de gladheid. Hij kijkt naar het goedje onder zijn voeten, probeert zijn voet over een ijsgolfje te verplaatsen, vindt geen grip, glijdt terug en spant zich in om zijn evenwicht niet te verliezen. De fiets die hij rechts leidt, biedt geen houvast. Integendeel. Als die gaat glijden, is hij definitief het haasje. En of de warme maaltijd in de vierkante rugzak een valpartij overleeft is de vraag. Hoe is-ie überhaupt zo ver kunnen komen? Blind de aanwijzingen van de navigatie via zijn oortjes gevolgd in plaats van zijn eigen weg te kiezen? Allemaal leuk en aardig had-ie moeten denken, maar die glinstering waar jij me overheen stuurt, duidt op glad ijs. Heeft-ie niet gedaan. Misschien is-ie niet bekend met het verschijnsel, meer op zijn plek op een paard in de woestijn van Mexico dan op de fiets in winters Amsterdam, een munitiegordel over de borst in plaats van de last op zijn rug. Zijn donkere bebaarde gezicht doet me denken aan de roverhoofdman uit ‘The Three Amigo’s’, de komische western die ik zo vaak heb gezien dat ik sommige passages kan dromen. De drie helden vragen de weg en krijgen als aanwijzing: ‘Turn left at the Singing Bush. Held 1: ‘How do we recognise the Singing Bush?’ En dan staat er midden in de woestijn een struik met zijn takjes te zwiepen en snerpend, met een smurfenstem ‘For he’s a jolly good fellow’ te zingen. Intens flauw, ik geef toe dat je in de stemming moet zijn, maar ik grinnik bij de gedachte. De man op het ijs kijkt me niet begrijpend aan, zijn ogen groot van angst.
Jij bent de sjaak, El Guapo. Tenzij… Ik leg mijn pakjes terug, strek mijn arm uit naar het stuur van zijn fiets, kan er net bij.
‘Eerst je fiets’, zeg ik, ‘dan jij.’
‘One moment’, zegt hij en trekt behoedzaam het kabeltje uit het scherm op zijn stuur. Verbazend koelbloedig gezien zijn hachelijke situatie. Hij knikt. Ik trek de fiets recht naar me toe. Het lukt, ik zet hem tegen de muur en draai me om. Een jongen met stroeve schoenen is te hulp geschoten en voltooit de reddingsactie. Toch mooi hoe ontbering verbroedert, al geeft El Guapo weinig blijk van blijdschap. Hij controleert of zijn fiets stevig staat, zet hem op slot, mompelt ‘Thank you’ en laat zijn blik over het ijs dwalen: ‘This is very dangerous! How come they don’t do anything about this?’
‘Who?’
‘The city!’
‘Everyone is supposed to clear a path in front of their house… anyway, it’s only for a week…’
‘If it is only for one day, they should do something!’
Overtuigd van zijn gelijk checkt hij de app op zijn scherm en loopt naar binnen met de warme maaltijd intact op zijn rug. Dankzij mijn hulp, als je dat maar weet broeder Guapo!

Onverminderd glunderend wacht de ijsvloer op een nieuwe waaghals. Ik ben hem te slim af, zie kans om via de richel waar net een voet op past langs de geveltuin ongeschonden de dertig meter af te leggen en mijn postkar, een oud rammelding dat het niet alleen elk moment kan begeven maar zich ook lastig laat sturen, in toom te houden. De verdere dag is het opletten geblazen. Soms glibber ik voetje voor voetje, dan weer zoek ik houvast bij trapleuningen, beducht voor linke afstapjes en beijsde traptreden – een van de gevallen mannen heeft zijn ribben gekneusd op een hardstenen trap. Ik krijg veel bedankjes van lieve mensen die daarmee het chagrijn, dat door de barre omstandigheden op de loer ligt, bezweren.
Als ik aan het eind van de middag na zeven uur ploeteren – ik heb twee keer zo lang over mijn werk gedaan als normaal – richting depot loop, is niet alleen de warmte van het saamhorigheidsgevoel verdwenen. Ook de zon trekt zich terug achter de huizenblokken en geeft de straat prijs aan de oprukkende kou. Gevoelstemperatuur min 15. Ik ga de laatste hoek om naar het depot en stop abrupt. Ik kan mijn ogen niet geloven, dit moet een fata morgana zijn. Waarom zou die alleen bij grote hitte ontstaan en niet bij ernstige kou en uitputting? Uitputting doet wat met een mens, in dit geval met mij. Ik stuur mijn kar de stoep af de straat op om het gebeuren van enige afstand gade te slaan.
Een jonge cowboy staat grotendeels naakt in de sneeuw, slechts gekleed in slip, laarzen en hoed. Terwijl de gure wind zich uitleeft op zijn blote huid wacht hij doodgemoedereerd tot een driemansfilmploeg klaar is voor de volgende take. Ik zou even een badjas aanschieten, maar hij geeft geen krimp. Dan zijn ze zover. De cameraman loopt achteruit en de cowboy loopt rappend tegen de camera met hem mee. Ik maak met mijn verkleumde vingers nog snel een foto. Anders denkt iedereen straks dat ik het allemaal maar een beetje bij elkaar verzin.
